zondag 15 januari 2017

Mijn plaats in het heelal

“Je me demande, si les étoiles sont éclairées afin que chacun puisse un jour retrouver la sienne”, zegt de kleine prins tegen de slang. Hier moet ik aan denken als ik midden op het Place de la Concorde om me heen kijk, de Eiffeltoren glinstert, het regent. Ik word niet bedrukt door een gevoel van nietigheid, als ik naar de oneindige sterrenpracht kijk, die Parijs is, ik ben weliswaar klein en geen eens een prins, maar ik voel me een onderdeel van dit leven. Ik voel me verbonden met deze stad.
Misschien ben ik nog wat sentimenteel, ik word om de een of andere reden vaak sentimenteel na het zien van de waterlelies van Monet. Ik wou zeggen altijd, maar het is pas de tweede keer dat ik ze zie. En ik wou zeggen emotioneel, maar het werd sentimenteel. Ach, het regent. In de regen kun je emotioneel zijn, zonder sentimenteel te zijn, want niemand ziet het. Maar als je dat opschrijft, wordt het weer sentimenteel.
We zijn naar Musée de l'Orangerie geweest, daar hangen de waterlelies. En daarom ben ik op het Place de la Concorde, daar stond mijn fiets. "We" zijn in dit geval Irene en Caterina en ik. Irene en Caterina zijn collega's van Sandrien. Ik heb het gevoel dat ik alles moet uitleggen. Wacht. Ik begin opnieuw.

“Ik vraag me af, of de sterren verlicht zijn, zodat ieder eens zijn eigen ster terug zou kunnen vinden”, zegt de kleine prins tegen de slang. Hier moet ik aan denken als ik in een appartement zit in het 18e arrondissement. Irene is aan het dansen op muziek van MC Hammer en Real McCoy. Irene is altijd energiek en luid, wat ik waarschijnlijk ten onrechte aan haar Spaanse achtergrond koppel, maar de Nineties muziek maakt haar nog luider. Ik mag haar graag.
Er komt een oneindige stroom pizza's uit de keuken, waar de Italiaanse gastheer zich verstopt om niet te hoeven dansen. “Ik kan niet dansen, maar ik kijk graag hoe jullie dansen.”, zegt hij met een zeer charmant accent. Een andere zeer charmante Italiaan heeft een gitaar gepakt en speelt de melodie, voor zover die aanwezig is, perfect mee. “Ja, ik heb conservatorium gedaan, maar niet afgemaakt, omdat ik ging studeren.”
“Eèèèèèèèhhh! Eèèèèèèèhhh! Eèèèèèèèhhh!”, De Griekse gastvrouw probeert het verschil in de Franse E-klanken uit te spreken, terwijl ze Grappa inschenkt. De klanken stromen alle kanten op en de dranken klinken op de beat van Fatboy Slim. Een gedeelte gaat over een van de merkwaardige onbewerkt houten meubels die het appartement vullen.
“Kom Gaaike”, zegt Irene zeer gebiedend. “Dansen.” En ik dans. “Zingen.” En ik zing.

En tegelijk vraag ik me af of Fernando me nog zal bellen. Ik vrees dat ik dit ook moet uitleggen. Fernando is een Portugese leraar Frans, die graag Nederlands wil leren. Ik ontmoette hem in de Cité Universitaire, een onwerkelijke plek in Parijs, een stad binnen een stad. Ik weet niet waarom ik aan Fernando moet denken. Misschien is het dat moment in de dronkenschap waarin je wat triest wordt, en op zoek gaat naar een aanleiding voor dat verdriet.
Ik kwam uit een klein zaaltje waar ik een test Frans had gedaan. De eerste vraag was geweest waar ik liever wilde wonen, op het platteland of in de stad. Ik had geantwoord dat ik wou leven als een storm en in de stad zwijgt de wind, maar razen de mensen, andersom op het platteland. Ik hoopte hiermee mijn gebrekkige Frans te compenseren. Ik kwam uit het zaaltje en Fernando, die mij gebrekkig Frans had horen spreken, kwam naar me toe. Ik moet hem zeker tien seconden glazig hebben aangekeken, voordat ik doorhad dat hij Nederlands tegen me sprak. "Wil je me Nederlands lesgeven?" Ik gaf hem mijn nummer, in het Nederlands. Daar moet het mis zijn gegaan. Hij heeft me nog niet gebeld. Fernando...

Andrea, de Italiaan, komt met brownies uit de keuken. "Eet, Gaaike, eet." Ik eet. De avond is tot rust gekomen, voor zover dat kan als er Italianen, Spanjaarden en Grieken zijn. In een hoekje van de kamer zitten twee mensen met elkaar te praten. De kaas waar nog over geschreeuwd werd dat hij op moest, omdat hij zo lekker is, ligt al een uur onaangeroerd op tafel. Guiseppe, de jongen met de gitaar, speelt Karma Police en er worden willekeurige teksten meegezongen, omdat niemand de tekst kent.

Dat was gisteren en vandaag sta ik, na het bezoek aan de Orangerie, in de regen op het Place de la Concorde, nog met schilderijen van Grant Wood op mijn netvlies, de dochters van de revolutie, waterige ogen in dikke brilglazen, en een collageachtig schilderij van Morris Kantor, en een gillende kalkoen van Chaïm Soutine, terwijl ik me verbonden voel met het heelal. Wat een beetje kunst niet met je kan doen.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen