donderdag 22 juni 2017

Warme herinneringen

De winkeliers zitten op krukjes voor hun winkels. De prostituees bij de Porte St. Denis hebben nog minder aan dan anders. Iedereen draagt zo min mogelijk kleding, maar er is geen ontsnappen aan de hitte. “Ik vind het vies. De stad plakt aan mijn huid”, zegt een collega van Sandrien. We zitten op ons favoriete terrasje. Het is in een steegje, niet ver van ons huis, toch moeilijk te vinden. Ik zit op een bankje, leun tegen een muur, tegen de lijnen van graffiti. Een bandje speelt op de hoek van de straat. Het is Fête de la Musique. Overal in Parijs spelen bandjes op hoeken van straten. De mensen naast ons laten een bierglas op de grond vallen. Het meisje van de bar kruipt op haar knieën om de glasscherven op te ruimen. Ik drink mijn halve liter bier in een paar slokken op, neem een slok uit het glas van Sandrien. We praten nauwelijks, kunnen elkaar ook nauwelijks verstaan. De collega van Sandrien is meestal heel grappig, maar ik denk dat hij nu naar huis wil. Of hij denkt aan Spanje, zijn dorp aan de zee. Het is daar ook warm, maar je kunt afkoelen in het water. Hij zei een keer: “Ik heb een heel mooie herinnering, maar ik ga er niet aan denken. Als ik er aan denk, dan verandert hij en ik wil hem juist bewaren zoals hij is.” Of in elk geval zoiets heeft hij gezegd. Ik kijk naar de mensen die langs lopen, ze zijn vrolijk. Drie jongens zonder shirt zijn vrolijk en stoer. Een van hen grist een fles water van tafel en loopt er mee weg. De mensen naast ons laten nog een bierglas op de grond vallen. Het meisje van de bar moet er om lachen.
Sandrien is moe na haar werkdag. “Laten we naar huis gaan.”, zeg ik. We lopen nog even om, langs een bandje, door een groep dansende mensen, zwetende mensen. Ik kijk naar ze. Ik wil ook wel dansen en zweten, maar nu wordt het toch niks. Met mij wordt het bijna altijd niks, dansen. Ik denk aan een concert. Het was een volle, warme zaal. Iedereen danste zo wild als hij kon en iedereen baadde in het zweet. Je wist niet eens of het je eigen zweet was, of dat van iemand anders. Maar dat maakte niet uit. Alles loste op in de muziek. Het is een mooie herinnering. Ik moet er maar niet aan denken.


maandag 15 mei 2017

Twee kuikens

Ik ben net weer thuis. Het is kwart voor twee in de morgen. Vermoeidheid brandt achter mijn slapen, is dat waarom ze slapen heten, en maakt daar donkere vlekken. Sandrien is net naar bed gegaan. Het was fijn om thuis te komen, maar nu moet ik schrijven, want, hoewel het weekend zo terugkijkend is samengesmolten tot een moment, alsof alles, de heenreis, twee nachten in een vreemd huis met mijn vogels, de terugreis, alsof alles tegelijk heeft plaatsgevonden, alsof ik mijn voeten probeerde uit te strekken onder de banken van de bus, terwijl de vogels over mijn armen trippelden, terwijl voor mijn ogen een ei brak en een kuiken geboren werd, terwijl het Feyenoordlegioen in mijn oren toeterde, hoewel alles, het hele weekend, nu tot een enkel moment is samengebald, als wanneer je na een middag kleien alle mislukte pogingen weer samendrukt tot een bal, toch is het een moment van betekenis, al is het me onduidelijk wat die betekenis precies is, en voel ik de behoefte om het weer uit elkaar te trekken en in nieuwe vormen te kneden.
“Welcome in my humble buss. I just had two cups of coffee, so I'll be annoying the hell out of you during this whole trip.” De buschauffeur is een klein, joviaal mannetje met een eveneens klein en joviaal brilletje op zijn neus, dat gedurende de hele ritten grappen maakt, grappen die leraren op de middelbare school maken en die niet werkelijk grappig zijn, die boven alles de sleur van hun bestaan blootleggen, elk jaar hetzelfde curriculum met dezelfde grappen, of nog erger, elke dag, elke busreis, maar grappen die je toch waardeert wanneer ze met oprecht plezier en geoptimaliseerde timing, met beroepstrots, worden gebracht.
Het stortregent en ik ren langs de golvende baksteenmuren van De Dageraad, een prachtig gebouw in de stijl van de Amsterdamse school, bakstenen die ondanks hun toch imponerende massiviteit lijken te ademen, en schuil onder een van de ronde erkers. Als ik bereid ben om verder te gaan door de regen, besef ik dat al voor de deur sta van het huis waar ik nu even woon. Ik hoor de vogels fluiten. Het in heldere kleuren geschilderde trappenhuis, maakt me opnieuw vrolijk, terwijl ik probeer me niet te vergissen in de deur.
In de bus lees ik een boek in een keer uit. Het boek is Het vogelhuis door Eva Meijer. Het gaat over Len Howard, een vrouw die na een succesvolle carrière als muzikant, dit leven achter zich laat en bij vogels gaat wonen om hun gedrag te onderzoeken. Ze bouwt een relatie op met de vogels, vooral met de koolmezen. Terwijl ik het lees, terwijl ik mijn voeten zo ver mogelijk probeer uit te strekken onder de stoel voor me, vraag ik me af of mijn vogels me nog zullen herkennen.
“Please check the seat number on your ticket to check if you're on the right seat.” De buschauffeur wacht geduldig tot vragende geluiden en een zwetende paniek de bus vullen. “I told you I'd be annoying the hell out of you. There are no seat numbers.”
In het vogelhuis weet Len Howard het vertrouwen van wilde koolmezen te winnen, zo ver dat ze uiteindelijk een vogeltje leert tellen, of laat zien dat ze kan tellen, door haar te belonen wanneer ze een bepaald aantal keer met haar snavel tegen de tafel tikt.
Ik besluit het experiment te herhalen met Eend. De intelligentie van agapornissen is soms haast voelbaar in de lucht, zoals je het kunt voelen wanneer een onweersbui op komst is. Ik hoef dan ook maar twee keer op de tafel te tikken nadat ik een zonnebloempit heb laten zien, voordat Eend met zijn snavel tegen de tafel tikt. Als ik twee keer achter elkaar tik, tikt hij twee keer achter elkaar. Drie keer lukt ook, al tikt hij zacht en aarzelend. Dan heeft hij er genoeg van en elke volgende keer dat ik het pitje laat zien, duikt hij er met volle snelheid op, voor ik heb kunnen tikken. Hij verveelde zich alweer met het spelletje. Ik ken geen dieren die zich zo snel vervelen als agapornissen en misschien is dat wel het meest overtuigende bewijs voor hun intelligentie: verveling.
We wachten op Ali B, niet de Ali B, een andere Ali B. Een man met wie ik meerijd terug naar Parijs. Met mij staan twee Fransen op hem te wachten. We staren alle drie naar een kroeg aan de andere kant van het plein, waar Feyenoordsupporters staan te dansen en te zingen. Ze zingen uit volle borst: “Alle joden aan het gas.” Twee meisjes brengen hun vriendjes naar de kroeg. De twee stelletjes beginnen naast elkaar uitgebreid te tongen en dan nemen de jongens afscheid van de meisjes. Ze pakken een biertje en gaan op in de rood-wit-zwarte golvende massa. “Mijn vader zat bij de commando’s, mijn moeder zat bij de SS. Samen verbrandden zij joden, want joden die branden het best.” Dit scanderen gaat een half uur door. Steeds luider wordt dit refrein gezongen en mensen die uit het station het plein oplopen, beginnen spontaan mee te zingen. De Fransen lijken het gelukkig niet te begrijpen en kijken geamuseerd toe. Ik ben blij dat ik het niet hoef uit te leggen, me niet hoef te verantwoorden voor het feit dat dit mijn cultuur is, wat dat ook maar betekent. Ik geloof best dat de voetbalsupporters er niets kwaads mee bedoelen. Het is een gezellig feestje en feesten kun je het best zonder historisch besef. Toch voel ik me verlost als Ali aan komt rijden. Ik herken hem meteen als de chauffeur tijdens een eerdere rit. Hij had toen vooral oog voor Sandrien en hij herkent me dan ook niet. Ik laat het maar zo, omdat ik hem niet in verlegenheid wil brengen, of omdat ik er niet op rekende een bekende te zien en zelf moeite heb met de nieuwe situatie. Tegelijk komt de gedachte bij me op dat Ali mij ook heeft herkend, maar dit om de een of andere reden niet wil laten merken. Deze gedachte verwerp ik meteen, want Ali is, in tegenstelling tot mijzelf spontaan en uiterst sociaal.
Ik kniel voor de kooi van de twee oudste vogeltjes, Duif en Eend, en zie een merkwaardig schouwspel. Agapornissen voeden elkaar normaal gesproken door in de snavel van hun partner hun eten op te geven, een schouwspel dat op zich al iets merkwaardigs heeft. Nu kotst Eend op de poot van Duif, in plaats van in zijn snavel. Ik lach om Eend, die altijd iets clownesk heeft in zijn goedige gedrag, maar dan zie ik plotseling in het nestkastje aan de wand van de kooi een rozig wurmpje, amper groter en opmerkelijker gelijkvormig aan het pootje van Duif. Er zit een beetje dons op het ronde lijfje. Het is een kuikentje. Zijn paarse ogen zitten nog dicht en hij kruipt hulpeloos heen en weer over de schaal van het ei waar hij uit is gekomen. Dan vliegt Duif in het nestkastje en ze schuift het kuiken met veel tederheid onder haar veren.
"So, we've arrived in Antwerpen. If you want to stretch your legs, please check out the station hall. It's beautiful, seriously." Er klinkt oprechte ontroering in de stem van de buschauffeur.
Als wetenschapper is Len Howard haar tijd ver vooruit, met de achteraf vrij logische gedachte dat je dieren, wanneer je hun gedrag wilt bestuderen, ze het beste kunt bestuderen in hun natuurlijke omgeving en dat je dat gedrag, om het te kunnen beschrijven, moet interpreteren, in plaats van dieren als “black boxes” te beschouwen. Ze beschrijft ook hoe er binnen een vogelsoort enorme verschillen zitten in karakter, of persoonlijkheid. De ene koolmees is brutaal, de ander is angstig, de volgende is nieuwsgierig.
Ik zit naast Ali B in de grijze Toyota Avensis, kunststofpanelen met houtmotief in het dashboard, hij kijkt slechts af en toe naar de weg, terwijl hij cd-hoesjes uit alle holtes aan weerszijden van zijn stoel tevoorschijn haalt en opent, om te kijken welke cd in het hoesje zit, tot hij uiteindelijk Coolio, Gangsta's Paradise opzet. Ik staar naar bomen, die aan beide kanten van de weg door de duisternis zijn samen gaan vloeien tot gigantische volumes, als zwarte onweerswolken die op de aarde zijn neergedaald en waarvan een haast apocalyptische dreiging uitgaat. Misschien dat deze dreiging me blijft fascineren, waardoor ik niet in slaap dommel, ook al heb ik de vorige nacht nauwelijks geslapen, terwijl mijn ogen schommelen over de eindeloze golf waar de zwarte massa de paarsgrijze lucht raakt. Ik hou van deze kleur, dat vale mengsel van rood licht van de grote steden en het blauw van de nacht, een kleur die haast onmogelijk te schilderen is, juist omdat het zo weinig kleur bevat dat het zo bijzonder precies komt.
“So, we'll have to change busses, because someone smashed one of the windows, because he was angry about the fact that my, I mean his wife is cheating on him with that loser... I'm just speculating.”
In een huis aan de Pieter Lodewijk Takstraat in Amsterdam wonen mijn vier vogeltjes, agapornissen. Ze wonen bij een veel te aardige mevrouw. Ze leek wat gestrest toen ik voor haar deur stond, haar tas lag nog open, ze legde er af en toe iets in. Ze liet me zien wat er allemaal in de koelkast ligt en zei dat ik alles moest opeten. En van die ontbijtkoek ga je goed poepen. Nadat ze was verdwenen in een grote witte bestelbus richting de Veluwe, vond ik mij alleen in het huis, op vier vogels en een kat genaamd Twix na.
De vier vogels verschillen veel van elkaar. Duif is het meest sociaal, maar tegelijk kan ze het agressiefst zijn. Eend is een goedzak en hij luistert het best. Ik kan hem honderd keer roepen en elke keer komt hij meteen. Hij gaat alleen niet zoals Duif bij je zitten omdat hij dat prettig vindt. Hij doet het alleen voor de beloning. Broek is ook gehoorzaam, maar hij is brutaler dan Eend, doet waar hij zin in heeft. Trui, de jongste en laatste, is nog bang voor mensen en bang in het algemeen.
Len Howard verlaat haar leven, haar relatie, haar familie, voor een leven met vogels. Tegelijk is dit ook een zoektocht naar zelfstandigheid. Het boek beschrijft op een zeer realistische manier de strijd die ze moet leveren en de offers die ze moet brengen voor haar zelfstandigheid, in een tijd waarin vrouwen nog niet zelfstandig hoorden te zijn. Het is een bijzonder tragisch verhaal en tegelijk voel ik des te meer bewondering voor haar keuze, juist doordat de keuze repercussies had.
Ik kan niet slapen, vanwege de gedachte dat mijn leven een grote mislukking is. Waarom dit voor slapeloosheid zorgt, is omdat ik naast deze plotseling aanval van twijfel, tegelijk vind dat ik eens iets van dat leven moet maken en wel voordat ik ga slapen. Om de een of andere reden heb ik dit vaker als ik alleen ben. Sandrien geeft me het gevoel dat ik niet alleen maar iets moet worden, maar dat ik al iets ben, of misschien voel ik me bij haar geen totale mislukkeling, omdat ik toch haar heb weten te versieren.
“Please don't forget your bags. Check the overhead compartment, look under your seat. Oh and if you do forget something and it has some value, you can always go to... the market square in Amsterdam.”
Ali vertelt over zijn zoon die kortgeleden is besneden en laat, heel af en toe een blik op de weg werpend, trots foto's zien van zijn zoon in Algerije in traditionele kleding, met een rood petje en een wit gewaad. “Hij kreeg de hele dag cadeaus en geld, niet dat dat geld iets waard is, maar dat weet hij niet. Iedereen die hem zag in die kleding stopte hem wat geld toe, dat hoort erbij, om het trauma te vergeten hè. De volgende dag was hij wat teleurgesteld, omdat hij opeens geen geld meer kreeg.” De andere twee passagiers, een Frans stel, vertelt dat ze nu al, ze trouwen pas over drie maanden, ruzie hebben over of hun toekomstige kinderen besneden moeten worden. Zij is net als Ali van Algerijnse afkomst, in Frankrijk geboren.
Ik heb de kooien nu de hele dag open staan. Op dit moment zitten de vogels allemaal in de kooi. Ze zijn moe van het badderen en vliegen. Broek en Trui zitten naast elkaar en fluiten fluisterend liedjes in elkaars oren. Op deze momenten, wanneer ze moe zijn en tegen elkaar aan zijn gekropen, trekken ze het volledige register van hun vogelzang open. Ze maken veel geluiden die lijken op het klakken met de tong. Ze luisteren heel goed naar elkaar, en genieten zichtbaar van elkaars zang.
“Weet je wat het is.”, zegt Ali. “Mijn zoontje op de peuterschool kreeg laatst van zijn juf de vraag: En waar kom jij vandaan? Hij is in Nederland geboren, maar hij krijgt nu al te horen dat hij er niet bij hoort. Ik wil dat hij de mogelijkheid heeft om in Algerije te gaan wonen, als hij dat later zou willen, maar om in Algerije geaccepteerd te worden, moet je besneden zijn... als je jong bent dan hè, als je een oude man bent, maakt het niet uit.”
Het tweede eitje is uitgekomen. Ik zag het gebeuren. Opeens lag daar een kuikentje, nog kleiner dan die ander, nog in de vorm van het ei. Het is een mooi gezicht hoe Duif en Eend voor de kuikens zorgen. Overdag zit Duif bijna de hele tijd op het nest, gaat er alleen uit om nestmateriaal te verzamelen en te poepen. Het instinct om het nest te maken is zo sterk dat Duif de papiersnippers die ze heeft verzamelt, al wekenlang blijft proberen te bevestigen aan de houten wand van het nestkastje. In het wild bouwen ze op die manieren geweldige constructies van meerdere nesten. Eend is de hele dag aan het eten. Af en toe klinkt er gepiep uit het nest waarop Eend Duif en de kuikens gaat voeren. 's Nachts steken er twee staartjes uit het nestkastje, liggen de twee ouders naast elkaar op de kuikens.
In de keukenkastjes vind ik alleen een nog onaangebroken pak koffie. Ik kan geen koffiezetapparaat vinden. Door het gebrek aan cafeïne en aan slaap, heb ik soms het idee dat ik helemaal niet wakker ben, omdat ik vergeet wat ik net heb gedaan, soms zorgt het er juist voor dat het leven te luid is, dat elke stap van mijn eigen voeten voelt alsof er een heipaal in de grond wordt geslagen. Het zou toch wel fijn zijn om weer thuis te zijn.




dinsdag 28 februari 2017

Het geluid

Een vreemd geluid houdt me wakker. Het klinkt als een golfplaat die door de wind over het dak stuitert. Het is moeilijk een vervelender geluid te verzinnen, maar vervelender dan de aard van het geluid, is de frequentie. Soms denk ik even dat het stopt, ik begin weg te doezelen, maar dan begint het weer. Ik heb was in mijn oren gestopt, maar het geluid dringt er doorheen. We dachten dat het de bovenburen waren. Sandrien zat ze al uit te schelden en ik stelde me al voor hoe ik bij ze zou aanbellen, dat ze zouden opendoen. We dachten dat het de bovenburen waren, omdat zij twee dagen geleden nog een groot feest gaven. Het duurde tot diep in de nacht. Er werd luid geconverseerd om boven de muziek uit te komen. Een enkeling danste. Wel vreemd, omdat we geen bovenburen hebben, maar dat hindert niet. Nu denken we al niet meer dat zij het zijn. Het is toch de wind en er zal iets loszitten op het dak. Niemand die tot diep in de nacht met golfplaten in de weer is. Het is vast de wind. De wind slaapt niet. Maar ik, zal ik nog slapen?
Ik droom dat ik aan het hardlopen ben. Een auto probeert vlak voor mij in te parkeren. Achter mijn rug probeert een auto te keren. Ik loop om de auto's heen, maar waar ik ook naartoe draai, er komt een auto aan. Eindelijk bevrijd van de auto's, word ik aangereden door een fietser. Woedend pak ik hem op en gooi ik hem in de goot. Dan zie ik dat het een oud mannetje is. Er is bovendien iets mis met het mannetje. Hij is niet helemaal goed. Hij heeft een appel in zijn hand. In mijn beste Frans, (ik spreek Frans in mijn droom?) bied ik mijn excuses aan. De bestuurders van de auto's ontfermen zich over het oude mannetje en ze lachen naar me. Waarom zijn ze zo aardig? Ik herhaal nog eens hoezeer het me spijt dat ik het oude mannetje in de goot heb gegooid, maar ze blijven vriendelijk lachen. Ze zouden niet aardig moeten zijn, denk ik nog voor ik wakker word.
Half wakker is een beter woord. Na het ontbijt en drie koppen koffie beklim ik de trap naar de bovenste verdieping. Ik bel aan bij de bovenburen, ook al weet ik dat er niemand boven ons woont. De bel doet het niet. Het spionnetje is enkel een gat in de deur. Ik tuur naar binnen, maar zie enkel duisternis. Als de kamer bewoond zou zijn, dan gebruiken de bewoners een ander trappenhuis, want van deze kant is de deur gebarricadeerd door planken. Aan de andere kant van het trappenhuis staat een deur open, maar hierachter bevindt zich slechts een wc-pot. Midden in het trappenhuis, steunend tegen de leuning, staat een ladder naar het dak. Ik klim op de ladder, doe het raam naar het dak open, en steek mijn hoofd naar buiten.
Het is geen bijzonder dak. Ik zie bij de overburen elektriciteitsdraden van de antennes naar de ramen van de verschillende appartementen lopen. Via de ramen gaan de draden naar binnen. Een draad hangt los, maar kan onmogelijk veel lawaai maken. Hij is bovendien in de naalden tegen de duiven verstrikt geraakt. Niet ver van waar een duif op de naalden was gaan zitten en waar nu nog maar een paar botjes liggen. Op ons dak zie ik niets loszitten. Geen stuiterende golfplaten. Er zitten twee duiven, maar ze lijken vrij onschuldig. Ik steek mijn hoofd weer naar binnen en klim naar beneden. Pas als ik weer in onze kamer kom, begint het geluid weer. Het houdt nooit meer op.

maandag 27 februari 2017

Een man in een rots

Een man zit in een rots. Hij zit er al sinds woensdag geloof ik.
Voordat hij in een rots zat, heeft hij in een karkas van een beer gezeten, in een kamertje, dat wel. En hij zat ook een tijdje in een fles, op een paal en in de grond.
Nu zit hij in een rots. Mensen praten met hem door een spleet tussen de twee rotshelften. Ik hoor niet wat ze zeggen. Ik hoor niet wat hij terug zegt, maar op de videobeelden van uit de rots, zie ik zijn lippen bewegen.
Op een bordje naast de rots staat dat de man wil weten hoe het is om een rots te zijn. Ik begrijp het niet helemaal, want rotsen praten niet met mensen. Als je wilt weten hoe het is om een rots te zijn, kun je beter niet met mensen praten. Deze man praat wel met mensen, door de spleet van de rots. Misschien denkt hij dat ze het anders niet geloven, dat hij in de rots zit. Misschien heeft hij gelijk.
Van de buitenkant van de rots zie je niet dat er iemand in zit. Van de buitenkant is het gewoon een rots. Je vraagt je wel af waarom de rots gespleten is in twee helften, maar je bent niet heel verbaasd. Van een rots in een museum kijkt niemand op, zelfs niet van een rots met een spleet. Pas als je met de rots praat, geloof je dat het niet gewoon een rots is, maar dat er iemand in zit. Rotsen praten niet met mensen, zelfs niet een rots met een spleet.
Verderop in het museum ligt een zwartgeblakerde boom. Ik vraag aan de boom hoe het is om een miskende kunstenaar te zijn. De boom zegt niets terug.

vrijdag 20 januari 2017

Winterse baarmoederverlangens

Het is koud, merk ik als ik op de fiets stap. Ik had kunnen weten dat het koud was, aangezien de madame die alles regelt, de planten op onze binnenplaats en voor haar ramen heeft ingepakt tegen de vorst. Toch had zo langzamerhand de onzinnige gedachte bij me postgevat dat het in Parijs, omdat er zoveel verkeer van mensen is, niet zou kunnen vriezen. En tegelijk laat ik me ook graag verrassen door het weer, daarom kijk nooit naar het weerbericht, omdat ik denk dat het prettig is om het veel te koud te hebben en te dromen van een luie stoel naast de haard met een kop warme chocolademelk, terwijl de kou in werkelijkheid alleen maar vervelend is en elke gedachte overstemt.
De auto's bewegen van het ene stoplicht naar het volgende, als een groot roofdier dat alleen maar korte afstanden kan sprinten, om vervolgens teleurgesteld te wachten op de volgende prooi. Mijn handen beginnen te prikken van de kou, terwijl ik tussen de auto's slalom. Ik negeer elk rode stoplicht op mijn pad, zodat ik steeds een paar honderd meter voor de autostroom uit rijd, alsof ik de prooi ben.
Op het Place de la Bastille word ik weer opgeslokt in het verkeer en moet ik tegelijk links, rechts, achter en voor me kijken, om er heelhuids uit te komen. Ik heb wel wat gevoel ontwikkeld voor de complete verkeerschaos op de grote rotondes en ik merk welke auto's nieuw zijn met deze situatie aan hun afwachtende houding en hun onbeholpen bewegingen.
Een ambulance zorgt voor een opstopping. Een zwerver wordt van een bankje op een brancard getild. Het zal de kou wel zijn.
Het lijkt wel steeds kouder te worden, als ik Parijs achter me laat. Over het kerkhof langs de periferie, ligt een witte mist. Een vrouw loopt langs de poort, kijkt even naar binnen, slaat een kruis en loopt snel verder.
De man die in een tentje in het bois de Vincennes woont, loopt onrustig heen en weer voor de ingang van zijn woning.
Ik ben eindelijk in Charenton, waar mijn oppaskindje woont. Het is vijf voor vier. De school gaat uit om vier uur. Op het plein staan de ouders te wachten. Er wordt weinig gepraat. De meeste ouders verbergen zich in hun te dikke jassen. Tegen het hek ligt een stapel van ongeveer tien kinderen, die nog te jong zijn voor de basisschool. De bovenste laag wordt gevormd door twee kinderwagens. Helemaal onderop ligt een kind onbedaarlijk te huilen. Ik zie alleen zijn buikje dat schokkende bewegingen maakt. De vrouw van wie ik vermoed dat ze de moeder is, staat er onbewogen naast.
Lisa, mijn oppaskindje, geeft me haar rugzak en probeert in de chaos die nu is ontstaan, haar vriendinnetjes terug te vinden, om met hen heen en weer te gaan rennen over het schoolplein, een dagelijks ritueel. Vandaag ontzeg ik haar echter dit ritueel, want Lisa heeft een oorontsteking en volgens haar ouders komt dat door de kou.
Met de kou, is Lisa nog vaker ziek dan anders. Haar enthousiasme van na de kerstvakantie heeft plaatsgemaakt voor een boosheid, of verdrietigheid, die ze zelf niet zo goed begrijpt en die waarschijnlijk niets anders is dan vermoeidheid. Ze heeft zelden door waar haar gevoelens vandaan komen en daarom gaat ze rennen als ze moe is, gaat ze eten als ze zich verveelt, gaat ze huilen als ze honger heeft.
Zodra we binnen zijn, rent ze naar haar kamer en roept: “Viens, Gaaike, viens vite!” Ze is in een kast gekropen, in haar “cachette secrète”. Voor haar bevindt zich daar in de kast een volledige nieuwe wereld, maar ik ben een beetje groot om in kasten te kruipen, en allerlei jurken en verkleedkleren vallen om mijn schouders. En terwijl ik mijn hoofd stoot, rekt Lisa zich uit in haar geheime wereld, en vraagt met een gelukzalige uitdrukking op haar gezicht: “Is het niet prachtig hier?”
Als haar moeder thuiskomt, ligt Lisa te slapen in een tentje in de woonkamer. Lisa's moeder kijkt naar dit tafereel en zegt: “Laatst zei ze tegen me, ze zei: Mama, wil je me opeten? Dus ik vroeg: Waarom moet ik je opeten? Waarop Lisa zei: Omdat ik weer in je buik wil zitten.”

zondag 15 januari 2017

Mijn plaats in het heelal

“Je me demande, si les étoiles sont éclairées afin que chacun puisse un jour retrouver la sienne”, zegt de kleine prins tegen de slang. Hier moet ik aan denken als ik midden op het Place de la Concorde om me heen kijk, de Eiffeltoren glinstert, het regent. Ik word niet bedrukt door een gevoel van nietigheid, als ik naar de oneindige sterrenpracht kijk, die Parijs is, ik ben weliswaar klein en geen eens een prins, maar ik voel me een onderdeel van dit leven. Ik voel me verbonden met deze stad.
Misschien ben ik nog wat sentimenteel, ik word om de een of andere reden vaak sentimenteel na het zien van de waterlelies van Monet. Ik wou zeggen altijd, maar het is pas de tweede keer dat ik ze zie. En ik wou zeggen emotioneel, maar het werd sentimenteel. Ach, het regent. In de regen kun je emotioneel zijn, zonder sentimenteel te zijn, want niemand ziet het. Maar als je dat opschrijft, wordt het weer sentimenteel.
We zijn naar Musée de l'Orangerie geweest, daar hangen de waterlelies. En daarom ben ik op het Place de la Concorde, daar stond mijn fiets. "We" zijn in dit geval Irene en Caterina en ik. Irene en Caterina zijn collega's van Sandrien. Ik heb het gevoel dat ik alles moet uitleggen. Wacht. Ik begin opnieuw.

“Ik vraag me af, of de sterren verlicht zijn, zodat ieder eens zijn eigen ster terug zou kunnen vinden”, zegt de kleine prins tegen de slang. Hier moet ik aan denken als ik in een appartement zit in het 18e arrondissement. Irene is aan het dansen op muziek van MC Hammer en Real McCoy. Irene is altijd energiek en luid, wat ik waarschijnlijk ten onrechte aan haar Spaanse achtergrond koppel, maar de Nineties muziek maakt haar nog luider. Ik mag haar graag.
Er komt een oneindige stroom pizza's uit de keuken, waar de Italiaanse gastheer zich verstopt om niet te hoeven dansen. “Ik kan niet dansen, maar ik kijk graag hoe jullie dansen.”, zegt hij met een zeer charmant accent. Een andere zeer charmante Italiaan heeft een gitaar gepakt en speelt de melodie, voor zover die aanwezig is, perfect mee. “Ja, ik heb conservatorium gedaan, maar niet afgemaakt, omdat ik ging studeren.”
“Eèèèèèèèhhh! Eèèèèèèèhhh! Eèèèèèèèhhh!”, De Griekse gastvrouw probeert het verschil in de Franse E-klanken uit te spreken, terwijl ze Grappa inschenkt. De klanken stromen alle kanten op en de dranken klinken op de beat van Fatboy Slim. Een gedeelte gaat over een van de merkwaardige onbewerkt houten meubels die het appartement vullen.
“Kom Gaaike”, zegt Irene zeer gebiedend. “Dansen.” En ik dans. “Zingen.” En ik zing.

En tegelijk vraag ik me af of Fernando me nog zal bellen. Ik vrees dat ik dit ook moet uitleggen. Fernando is een Portugese leraar Frans, die graag Nederlands wil leren. Ik ontmoette hem in de Cité Universitaire, een onwerkelijke plek in Parijs, een stad binnen een stad. Ik weet niet waarom ik aan Fernando moet denken. Misschien is het dat moment in de dronkenschap waarin je wat triest wordt, en op zoek gaat naar een aanleiding voor dat verdriet.
Ik kwam uit een klein zaaltje waar ik een test Frans had gedaan. De eerste vraag was geweest waar ik liever wilde wonen, op het platteland of in de stad. Ik had geantwoord dat ik wou leven als een storm en in de stad zwijgt de wind, maar razen de mensen, andersom op het platteland. Ik hoopte hiermee mijn gebrekkige Frans te compenseren. Ik kwam uit het zaaltje en Fernando, die mij gebrekkig Frans had horen spreken, kwam naar me toe. Ik moet hem zeker tien seconden glazig hebben aangekeken, voordat ik doorhad dat hij Nederlands tegen me sprak. "Wil je me Nederlands lesgeven?" Ik gaf hem mijn nummer, in het Nederlands. Daar moet het mis zijn gegaan. Hij heeft me nog niet gebeld. Fernando...

Andrea, de Italiaan, komt met brownies uit de keuken. "Eet, Gaaike, eet." Ik eet. De avond is tot rust gekomen, voor zover dat kan als er Italianen, Spanjaarden en Grieken zijn. In een hoekje van de kamer zitten twee mensen met elkaar te praten. De kaas waar nog over geschreeuwd werd dat hij op moest, omdat hij zo lekker is, ligt al een uur onaangeroerd op tafel. Guiseppe, de jongen met de gitaar, speelt Karma Police en er worden willekeurige teksten meegezongen, omdat niemand de tekst kent.

Dat was gisteren en vandaag sta ik, na het bezoek aan de Orangerie, in de regen op het Place de la Concorde, nog met schilderijen van Grant Wood op mijn netvlies, de dochters van de revolutie, waterige ogen in dikke brilglazen, en een collageachtig schilderij van Morris Kantor, en een gillende kalkoen van Chaïm Soutine, terwijl ik me verbonden voel met het heelal. Wat een beetje kunst niet met je kan doen.