maandag 15 augustus 2016

Le petit chat et les étoiles filantes

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. De Perseïdenregen die elk jaar Sandriens verjaardag aankondigt, zou in Parijs verbleken bij het licht van de stad en dus zijn we onderweg naar Rennes. Ik zit op de achterbank van een zwarte Nissan Qashqai. Baptiste, de chauffeur, praat met Sandrien. “Ik ben vanochtend met de auto naar de wasstraat geweest, want ja, ik wil wel dat hij er een beetje mooi uitziet, als ik mensen meeneem. Kijk nu wat de vogels hebben gedaan.” Hij drukt op een knopje en het glazen dak, besmeurd met vogelpoep, komt tevoorschijn. De auto is desondanks indrukwekkend. Als Baptiste met hoge snelheid door een tolpoortje rijdt, verschijnen camerabeelden van de achterkant van de auto op een scherm, waarop de mogelijke obstakels worden uitgelicht. Baptiste mindert enkel snelheid, als een auto voor hem zich plotseling aan de norm houdt en lijkt stil te staan, of als een alarm in de auto afgaat, wat betekent dat er snelheidscontrole is.

Zijn rijstijl is echter zeer vertrouwenwekkend en terwijl we over de péage zoeven, herhaalt Baptiste rustig wat hij al een paar keer heeft gezegd, zodat we hem goed kunnen volgen. Hij is radiocommentator bij NRJ (énergie). “Vergelijkbaar met radio 538”, zegt Baptiste, waarbij hij 538 in perfect Nederlands uitspreekt. Hij vraagt wat wij doen en zoekt ondertussen op zijn mp3-speler naar een uitzending van radio 538. Niet veel later zijn we in Rennes. “Als je wilt camperen, moet je niet hier blijven.”, zegt Baptiste. “Vannes is veel mooier.”

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. In mijn schetsboek heb ik in grote letters “VANNES” geschreven. We staan langs een rotonde, waarvan we hopen dat een van de wegen naar Vannes leidt. Als we het ergste beginnen te vermoeden, stopt een klein autootje voor ons en een jonge jongen roept ons. “Niemand hier gaat naar Vannes”, zegt hij. “Maar als jullie willen, kan ik jullie wel naar Molac brengen.” We hebben geen idee waar Molac ligt, maar stappen in de auto. Corentin (noem me maar Coco) stelt niet veel later voor dat we naar zijn huis gaan. “Ik heb een grote tuin, dus daar kunnen jullie ook de tent opzetten, als jullie dat willen.”

De tuin is inderdaad heel groot. Er staat een zwembad (waar we in mogen zwemmen als we dat willen) en achter een schuurtje ligt nog een weiland dat er ook bij blijkt te horen. In de tuin ontmoeten we Sacha, Grisi en twee katten waarvan we de namen nooit te weten komen. Sacha is een oude hond, die eerst heel bang voor ons is, maar al snel over ons heen wil kwijlen. Grisi is een kleine kitten die de hele dag op vliegen jaagt en aan het eind van de dag naast me op de bank in slaap valt. Hoewel de kat langharig is, de poes zwartwit, en Grisi zwartwit en langharig, vertelt Corentin dat het niet een kitten van de twee katten is.

Corentin geeft ons twee biertjes en verdwijnt in de keuken, zoals later blijkt om voor ons te koken. Wij voelen ons licht ongemakkelijk bij zoveel gastvrijheid en we besluiten maar om in de tuin te gaan zitten en af te wachten wat er gaat gebeuren. Als de zus van Corentin thuiskomt, verwachten we ook even dat we weggestuurd zullen worden, maar zij blijkt even hartelijk als haar jongere broertje. “Hij is niet zo'n goede kok.”, zegt ze tegen ons, als we onze borden opscheppen.

Na het eten gaan we wandelen. Corentin legt ons uit hoe we op een mooi pad kunnen komen, Sacha rent nog een stukje met ons mee, en dan lopen we opeens in de bossen van Bretagne. Het pad lijkt wel oneindig en als het al begint te schemeren, slaan we een ander pad in. Op een gegeven moment cirkelen de vleermuizen om ons heen en stel ik voor om maar weer terug te gaan. Ik heb het idee dat als ik het niet had voorgesteld, Sandrien voor altijd door was gelopen, bedwelmd door de geur van bomen en gras. We lopen onder dezelfde brug door waar we even tevoren onderdoor waren gekomen. Ik had niet gezien dat het een brug was en nu vraag ik me hardop af of er een auto overheen zou kunnen. “Nee, niet over deze brug.”, zegt Sandrien, net als er een auto aan komt, die over de brug rijdt. De auto stopt echter boven op de brug en dan horen we een stem: “Sandrien, c'est vous? Vous êtes perdu?”

Als we weer bij het huis komen, zit Corentin met een vriend, Julien, naar de Olympische Spelen te kijken. “Kom, willen jullie een glaasje wijn?” We gaan zitten op de bank en Grisi, de kleine kitten springt op mijn schoot. Corentin vertelt dat hij bij een plantenkwekerij werkt. “Mijn baas drinkt 's ochtends voor acht uur twee flessen whisky en dan zien de klanten hem op de grond slapen.” Hij laat een foto zien van zijn baas die op de grond ligt te slapen. “Wacht, willen jullie een Bretonse specialiteit?” Hij haalt een fles drank uit de keuken en schenkt vier eierdoppen vol. “Zelf gedistilleerd van cider. We noemen dit Le Goût.” Het is erg lekker. Alleen Julien weigert zijn eierdopje op te drinken. Als ik me even later afvraag of deze is overgebleven, zie ik dat het houten eierdopje is gebarsten en de drank is verdwenen. “Het is zulk sterk spul!”, lacht Corentin.

We zijn naar Bretagne gegaan om de sterren te zien en die nacht zien we ze, de vallende sterren. Als de maan rond een uur ondergaat, is de hemel opeens gevuld met sterren. De Melkweg is duidelijk zichtbaar en vormt een grote diagonaal. En om de zoveel tijd schiet er plotseling een lichtflits door de hemel die soms zelfs even een spoor achterlaat. Sandrien ziet meer vallende sterren dan ik, maar dat is ongetwijfeld het cadeau van het heelal voor haar verjaardag.

De volgende dag worden we, nadat we iedereen twee keer hebben gezoend en we afscheid hebben genomen van le petit chat en de oude hond, door Corentin naar Auray gebracht, vanwaar we met een kleine trein naar Quiberon kunnen, want “Vannes is wel mooi, maar Quiberon is nog mooier.”

2 opmerkingen: