dinsdag 16 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees

“31”, verzucht Sandrien, “de dood nadert.” Overvallen door duizeligheid, leunt ze op de bank. De zonnestralen hebben zich in haar hoofd genesteld en ook al zijn we weer in onze koele kamer op de vierde verdieping aan de Bonne Nouvelle, toch tillen ze haar nog af en toe op, om haar vervolgens te laten vallen. Dit is het moment dat ik schrijf: we zijn het weekend in Bretagne geweest. Het is 15 augustus, een lome maandag, omdat het een nationale feestdag is in Frankrijk. 13 Augustus was Sandrien jarig. Buiten is het 30 graden, dat weet ik omdat ik daar net heb rondgedwaald. Ik zit aan de keukentafel. Door het open raam komen etensgeuren die mij duizelig maken. Toch ben ik nog vol van de gedachten die me buiten overvielen. Misschien ben ik Parijs met andere ogen gaan zien, omdat ik een paar dagen ben weggeweest. Of misschien is Parijs veranderd. Wat vaststaat is dat alles anders is.

Ik ben net als Sandrien verbrand op de stranden van Bretagne, maar het is niet de zon die mij te pakken heeft gekregen. Ik moet toegeven dat de pukkel op mijn neus, die, daar ben ik diep van overtuigd, vele jaren geleden ontstaan is doordat mijn neus in de zon verbrand was, weer is gaan opzetten. Sandrien houdt zich af en toe bezig met het uitknijpen van de pukkel, al laat ik haar maar zelden begaan, omdat knijpen in de neus bijzonder pijnlijk is. Ik heb mij al lang neergelegd bij de afbreuk van het gezicht, dat ooit wel potentie heeft gehad, maar het altijd toch meer moest hebben van zelfspot. Het is wel toepasselijk, dat mijn neus steeds roder en groter wordt en langzaam verandert in een clownsneus. Nee, waar ik het over heb gaat dieper dan uiterlijkheden. Het betreft een heilige en een varken.

Het begon er allemaal mee dat, toen we terugliepen van Gare du Nord, na het weekend in Bretagne, mij een beeld opviel, een heilige met een varken, dat op de hoek van mijn favoriete straat, de gevel van een gebouw opsierde. Het was Sint Antonius. In de Rue du Faubourg st. Denis, zou je toch het beeld van sint Denis, haar naamgever, verwachten, die met zijn eigen hoofd in zijn handen door verschillende andere Parijse straten dwaalt, zoals de legende vertelt: nadat hij onthoofd is, op zoek naar de plek waar hij begraven wil worden. Hoe was het mogelijk dat het Sint Antonius was en hoe was het mogelijk dat hij me nooit eerder was opgevallen?

Het is misschien belangrijk om te vertellen dat deze sint Antonius, die de plaats van Denis had ingepikt, mij al jaren fascineert. De eerste keer dat ik hem zag was in een schilderij van Max Ernst, De verzoeking van sint Antonius. In dit schilderij wordt de arme heilige door een prachtige verzameling op Hiëronymus Bosch geïnspireerde monsters aangevallen, die hem van het geloof proberen te brengen. Sindsdien heb ik vele verbeeldingen van hetzelfde onderwerp gezien, van Bosch zelf, Tiepolo, Lorraine, Fantin-Latour, Cezanne, Rops, Dali etc. Sint Antonius wordt aangevallen door duivels of verlokt door mooie vrouwen, waarop hij tot God bidt om hem van deze verzoekingen te verlossen. Het is een geliefd thema onder kunstenaars, de verzoeking van de heilige door de duivel, ten eerste natuurlijk omdat het hen een goede reden geeft om wulpse, naakte vrouwen en groteske duivels te schilderen, maar ook omdat de legende een innerlijke, menselijke strijd verbeeldt. Het is de innerlijke strijd tussen de heilige en het varken, die mij zo fascineert. Zoals ik de verzoeking zie, is Sint Antonius niet zozeer bang voor de duivels, maar eerder voor het verlangen om het beest in hemzelf vrij te laten.

Ik besef heel goed dat ik meer varken in mij heb dan heiligheid en om op mijn neus terug te komen, misschien groeit deze wel uit tot een roze, ronde vleesschijf, waarmee ik naar hartenlust door de modder kan wroeten, wat me niet geheel onplezierig lijkt. Maar ik denk ook dat hoe beestachtiger de mens is, hoe meer hij deze kant van zichzelf zal wegdrukken, om het monster, waartot het uitgroeit, er alleen op enkele momenten nog uit te laten.

Laat ik nog even terugkeren naar het moment waarop ik het beeld van Sint Anthonius zag, op de hoek van de Rue du Faubourg St. Denis. Sandrien en ik waren het weekend naar Bretagne geweest. De terugreis was moeizaam. Het begon met een oververhit toeristentreintje en eindigde in een piepklein autootje, met drie mensen op de achterbank. De chauffeur, een dikke, hyperactieve man, maakte voortdurend grappen waar zijn vriendin, een klein, onaantrekkelijk wezen met een strenge bril op zo'n typisch Frans mager neusje, telkens onbedaarlijk om moest lachen, terwijl hij, ook wanneer de weg volledig recht was, telkens, maar toch op onverwachte momenten, met korte rukjes aan het stuur trok, zodat ik, omdat ik al met mijn lijf tegen de deur zat aangedrukt, telkens met mijn hoofd tegen de deur aan botste. Ik voelde gassen in mijn darmen opborrelen, het zweet liep van mijn voorhoofd en mijn voeten jeukten van de warmte, waardoor ik deze in de beperkte ruimte op alle mogelijke manieren probeerde te strekken. De man aan wie ik inmiddels een gloeiende hekel had gekregen reed op het Place Charles de Gaulle bijna op een bus in, maar was wel zo vriendelijk ons af te zetten bij Gare du Nord, vanwaar we over de Rue du Faubourg St. Denis naar huis liepen.

Er hing de gebruikelijke, drukke, gezellige sfeer in de straat en, hoewel ik grote stappen maakte om mijn benen ten volle te streken na hun urenlange, benarde positie, genoot ik ervan. Ik geloof dat ik tegen Sandrien zei: “We komen al gevaarlijk dicht bij huis”, zonder te begrijpen waarom ik zoiets zou zeggen. Ik geloof dat ze antwoordde: “Wat bedoel je?” Aan het eind van de straat zagen we al de Porte St. Denis, de triomfboog die opgericht is om de overwinning op de Nederlanders te vieren, een gebeurtenis waar wij Nederlanders aan refereren met 'Het rampjaar'. We liepen al bijna langs de poort, toen ik plotseling op de hoek van de straat het beeld zag van Sint Antonius met zijn metgezel het varken.

Waarom Antonius een varken bij zich heeft, heb ik me vaker afgevraagd, maar ik heb nooit de moeite genomen het uit te zoeken. Wel weet ik dat hij patroonheilige is van de varkens en de slagers. Dit lijkt een vreemde combinatie. In de rue du Faubourg St. Denis, waar zijn beeld zich bevindt, bevinden zich opvallend veel slagers, meer dan waar ook in Parijs. Het grappige toeval, ik noem het toeval, maar accepteer het onmiddellijk als verklaring voor de merkwaardige combinatie van patronages, is dat deze slagers halal zijn, en geen van allen varkensvlees aanbieden. Waarom schrijf ik deze irrelevante gedachte op?

Ik merk dat ik aarzel. Nu het komt op mijn innerlijke strijd, mijn verwantschap met het varken, en de essentie van de grote verandering die is opgetreden, moet ik toegeven dat ik terugdeins. Ik ben zonder meer bereid om te schrijven over ontmoetingen met beelden en de wanstaltigheid van mijn neus, maar nu dringt mijn pen door tot onder mijn huid. Misschien moet ik even pauzeren, op adem komen, en dit schrijven later vervolgen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten