zondag 1 mei 2016

Uit het nest gevallen

Er zijn veel daklozen in Parijs. De meeste liggen in een slaapzak op de roosters waar de warme lucht van de metro doorheen komt, enkele hebben een tentje. Liggende daklozen vind je op elk moment van de dag, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat. Je kunt de liggende daklozen het makkelijkst negeren, al moet je wel uitkijken dat je hun plastic bekertjes met muntgeld niet omschopt. Eén dakloze heeft zijn bekertje aan een vishengel hangen. Hij zit op een krukje naast zijn tent met de hengel uitgeworpen.
Er zijn ook daklozen die over straat zwalken. Ze lopen niet gewoon, ze zwalken, omdat ze dronken zijn en omdat ze aan het sterven zijn. Hen kun je niet negeren. Je kunt de straat oversteken, of rechtsomkeert maken als ze aan komen schuifelen, maar dan nog zie je hen vanuit je ooghoeken gebogen staan kotsen. Hun kleren zijn gescheurd, soms hebben ze haast niets meer aan en de kleren die ze hebben zitten vol vieze vlekken.
Ben ik gevoelloos aan het worden als ik niet meer opkijk van een dakloos kind. Ik word beter in het negeren. Ik negeer hen, omdat ik wanneer ik dat niet doe, ik me alleen maar machteloos voel. Toch laat het me niet echt los. Parijs is een fantastisch mooie stad, maar voor heel veel mensen is het de hel.

Als ik 's ochtends vroeg naar de winkel ga, vind ik voor onze deur naar de binnenplaats een kuiken. Het is een duif en hij zit heel stil op de stenen. Hij is uit het nest gevallen. Zijn vleugels zijn nog niet genoeg gegroeid om te kunnen vliegen. Als ik mijn handen naar hem uitstrek om hem op te pakken, verroert hij zich niet en dat verbaast me zo dat ik hem maar niet oppak. Met Sandrien maak ik een papje in een konijnenvoerbakje en dit brengen we naar het kuiken. Hij loopt naar het bakje maar eet er niet uit. We overwegen even om hem mee naar binnen te nemen, maar doen dit toch maar niet. Later op de dag wanneer ik het vuilnis wegbreng zie ik een vader en zoon bij het kuiken bezig. “C'est triste.”, zegt de vader tegen me. Ze maken een nestje met kranten erin en zetten het kuiken en de voerbak hierin. Als ze weg zijn, pak ik het kuiken op en duw zijn snavel in het bakje. Hij begint meteen gulzig te eten. Even piept hij als ik hem terugzet, maar dan gaat hij weer rustig zitten. Die dag ga ik niet meer naar het kuiken, omdat we collega's van Sandrien over de vloer hebben en tot laat Munchkin spelen.
Als ik de volgende dag mijn kater heb uitgeslapen en naar buiten ga, is van het kuiken geen spoor meer te bekennen. Het doosje staat er nog met daarin het bakje, maar het kuiken is verdwenen.
De kleine dakloze duif was maar een duif, maar toen ik hem vond, was mijn gevoel van machteloosheid toch even verdwenen en even dacht ik dat ik hem had gered.

1 opmerking: