woensdag 24 augustus 2016

Stijloefeningen tijdens het hardlopen

1. Runkeeper

Afstand: 11,09km
Totale stijging: 243m
Tijd: 56:53u
Gemiddelde snelheid: 5:08 m/km
Locatie: Parc des Buttes-Chaumont

2. Kort verslag

Vandaag heb ik zo ongeveer een uurtje, hardgelopen in het Parc des Buttes-Chaumont.

3. Informatief

Het Parc des Buttes-Chaumont dat in 1876 is geconstrueerd op een oude gipsmijn is bijzonder on-Frans: de bomen zijn niet rechthoekig en de paden lopen alle richtingen uit, ook in verticale richting, waardoor je soms zomaar per ongeluk in een grot of in een tempeltje belandt. Ik vind het fijn om hier hard te lopen, omdat je nooit het idee hebt twee keer dezelfde route te nemen. Vandaag bijvoorbeeld, zie ik voor het eerst een beeld van een man die tegen een rotswand klimt en dreigt te vallen. Het beeld heet Le Gouffre, oftewel de afgrond, en is in 1933 gemaakt door Sylvain Kinsburger. Wellicht verwijst het naar de geschiedenis van het gebied.

4. Observaties betreffende voeten

Vandaag zie ik, als ik aan het hardlopen ben, een blauwgele ara. De gigantische vogel zit vast aan een touwtje en kan kleine stukjes vliegen. Lopend ziet hij er maar onhandig uit vergeleken met de kraaien die met een opvallend lichte tred over het pad huppelen. Deze vliegen echter verschrikt op als de ara een luid gekrijs laat horen.

Even verder zijn twee hiphop-tapdansers hun kunsten aan het vertonen. Ze zijn misschien wel de meest hipsterste mensen die ik ooit heb gezien. De een draagt zwart-witte tapschoenen, de ander rolschaatsen. Ze hebben allebei een houten plaat om op te dansen.

Het Parc des Buttes-Chaumont is een populaire plek om te wandelen en ik moet vaak slalommen om de Parijzenaars te ontwijken. Een belangrijke reden dat ik toch hier loop, is het feit dat er erg veel kranen zijn met drinkwater. Bij een van de kranen is een oudere man zich aan het wassen. Hij besteedt heel veel aandacht aan zijn voeten, iets wat me doet denken aan Tadzjikistan. Daar heb ik heel veel oude mannen op straat bezig gezien met het wassen van hun voeten.

Op een gravelterrein zijn mannen hun spieren aan het trainen. Twee van hen beoefenen een vechtsport met een stok. De een doet een beweging voor en de ander doet deze na. Na een tijdje legt de leraar de stok neer en loopt hij naar het hek, dat rond het gravelterrein ligt. Hij tilt zijn been op en schopt tegen een boom aan de andere kant van het hek. Deze beweging herhaalt hij een tijdje. Zijn voet laat geen afdruk achter.

5. Meta

Het zweet druipt van mijn voorhoofd en prikt in mijn ogen, als ik plotseling besef dat ik mezelf voor de gek hou. In een schijnbaar eeuwige repetitie zet ik mijn ene voet voor de ander, terwijl deze gedachte steeds meer aan betekenis begint te winnen. Ik voelde me zo prettig, in dit verhaal van heuvels en dalen en zelfoverwinning.

De heuvels en dalen zijn er werkelijk. Het Parc des Buttes-Chaumont, waar ik hardloop, bestaat enkel uit hoge heuvels en diepe dalen. Maar die zelfoverwinning, is die niet gewoon bullshit? Is het niet gewoon een narratieve constructie? Ben ik hier mezelf aan het overwinnen, of ben ik gewoon aan het hardlopen?

En als ik alleen maar aan het hardlopen ben, waarom zou ik dat dan doen? Ik ga geen olympisch goud winnen. Ik loop hier maar. Zonder doel. Als ik klaar ben. Ben ik moe. Dat is alles. Alles wat ik bereik. In mijn leven. Dat ik moe zal zijn. En waarvoor? Voor niets.

En ik moet verdomme nog acht kilometer.


dinsdag 23 augustus 2016

Me with a wig

In een grote volledig witte zaal ligt een roze vloerkleed, waarop spierwitte olifantenskeletten staan. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de olifanten een bizarre anatomie hebben. De een heeft drie slurven in de vorm van orgelpijpen, bij een ander ontbreekt juist de slurf. Na een tijdje te hebben staan kijken, begint een van de olifanten opeens geluid te maken. Het is een droevig geluid. Dan zie ik dat er twee glazen kannen naast hem staan, waar hij met slangetjes aan verbonden is. Langzaam drupt er water in de kannen. De olifant huilt en hoewel het maar een beeld is en ook nog eens een zeer vervreemdend beeld, heb ik even het gevoel dat het een levend wezen is. Na deze olifant beginnen de andere geluid te maken. Elke olifant heeft zijn eigen geluid.

Het is een kunstwerk van Marguerite Humeau. Ik ben in het Palais de Tokyo. Dit museum van hedendaagse kunst is misschien wel mijn favoriete museum in Parijs. Het is moeilijk om zoiets te beweren in de stad van het Louvre, maar mijn enthousiasme wil zich uiten in overdrijvingen. En wie wordt niet enthousiast van een museum dat pas om middernacht sluit?

In mijn blogs wek ik wellicht wel eens de indruk dat de hedendaagse kunst die pretendeert avant-gardistisch te zijn, niet aan me is besteed. Ik ben het maar gedeeltelijk eens met de uitspraak “Alles is kunst” en dan laat ik de kunstenaars die van niets kunst maken, nog buiten beschouwing. Neem bijvoorbeeld de expositie van David Ryan en Jêrome Joy in het Palais de Tokyo, die de toepasselijke titel “Nothing at all” draagt. Het werk gaat over een imaginaire figuur die voor zijn beroep klavertjes-vier-zoeker is. We zien foto's en voorwerpen uit diens leven. Dit is allemaal uiteraard heel poëtisch en een metafoor voor de zoektocht naar geluk en na vijf minuten vlucht ik de zaal uit. Het is naar mijn idee niet veel meer dan mystificatie en wat veel erger is: nogal humorloos. Natuurlijk erg makkelijk om daar een vermakelijk blog over te schrijven, maar vandaag ben ik een jubelend kind en geen zeurende grijsaard.

Wat het Palais de Tokyo zo bijzonder maakt, is dat het gebouw zich vanbinnen naar de kunst vormt, die het huist. In een van de zalen veranderen de pilaren en balken die het gebouw ondersteunen in bomen die in elkaar verstrengeld zitten. Dit kunstwerk van Henrique Oliviera fascineert me zeer, aangezien de combinatie van natuur en architectuur ook een belangrijk thema is in mijn werk. In een andere zaal heeft Martin Soto Climent de ruimte gevuld door een netwerk van panty's dat mij doet denken aan synaptische verbindingen in de hersenen. Dit heeft niet echt raakvlakken met mijn werk, maar het is best wel cool.

Maar dat is nog niets vergeleken met de tempel van Shana Moulton, een gebouw binnen een gebouw. Als ik de tempel die door twee sphynxen wordt bewaakt, binnentreed, beginnen de sphynxen Total Eclipse of the heart te zingen en zie ik de worsteling van een vrouw met prikkelbaredarmsyndroom in een op vrouwen gerichte reclamewereld die langzaam uit elkaar valt in meditatiegolven.
Voor wie dit verwarrend vindt, kunnen de woorden van de kunstenares zelf misschien wat duidelijkheid verschaffen: “The main focus in the videoperformance is the alter-ego that I work with, named Cynthia. She's not so much of a separate character, she's more just me with a wig.”

Ik wil haar zoenen!







maandag 22 augustus 2016

De stoel (2)

Er is iets in de persoon van Michel Houellebecq, de Franse schrijver, dat mij diep ontroert en tegelijk aan het lachen maakt. Toen ik voor de eerste keer zijn expositie in het Palais de Tokyo bezocht, was ik in eerste instantie verward. De expositie, die voornamelijk uit foto's bestaat, doet denken aan de kunst in De kaart en het gebied en komt me even voor als een mystificatie, die ten doel heeft de moderne kunst te bekritiseren. Er zitten zeker foto's tussen die ik mooi vind, maar meer dan de foto's, vallen de stoelen me op, die in elke ruimte staan. De reden dat ik de stoelen zo mooi vind, is omdat ik voor me zie hoe Michel Houellebecq de expositie inrichtte en erop hamerde dat er meer stoelen moesten komen! Dit beeld ontroert me.

De eerste zalen van de expositie zijn erg donker, waardoor de foto's goed uitkomen. Ik zie een man een papier voor een foto houden. Dichterbij gekomen, zie ik dat het een informatieblad is dat hij probeert te lezen. Het was me niet opgevallen dat er informatieblaadjes bij de ingang lagen, maar ze blijken veel licht te werpen op wat eerst vervreemdend was. Ze zijn door Houellebecq zelf geschreven. Bij elke ruimte geeft hij een kort commentaar, bijvoorbeeld waarom hij bepaalde foto's heeft gekozen, of wat voor toevallige gedachte daarbij in hem op was gekomen. Bij kamer vijf lees ik: “I like creating rooms where you can take a break, as well. That's why I put seats in – seats are a total obsession!”

In een kamer die als een huiskamer is ingericht, kun je een Nederlandse documentaire over Michel Houellebecq kijken. De documentaire doet verslag van de uitreiking van de Prix de Goncourt, de meest prestigieuze Franse prijs voor de literatuur. In de aanloop worden allerlei mensen die hierbij betrokken zijn, geïnterviewd over Houellebecq. Uiteindelijk wordt de uitslag bekend gemaakt. Het is niet Houellebecq.

Twee vrouwen zijn intussen naast mij gaan zitten. Ze zitten net als ik onderuitgezakt, alsof ze thuis op de bank tv kijken. Het voelt wel vreemd om het huiskamergevoel te delen met mensen die ik niet ken. In de documentaire wordt een fragment getoond van de film La Rivière, van Houellebecq. De film gaat over twee naakte vrouwen die in een huis naast een rivier wonen. Na een scène waarin de ene vrouw de andere oraal bevredigt, waar maar geen einde aan lijkt te komen, kijken ze met een verrekijker uit over de rivier. “Het is hier wel veranderd.”, zegt de vrouw met de verrekijker. “Er zijn andere mensen komen wonen.” Door de verrekijker zien we twee andere naakte vrouwen door de rivier waden.

Na alle donkere kamers kom ik plotseling in een grote fel verlichte ruimte waarin de vloeren en wanden bekleed zijn met schreeuwerige ansichtkaarten en reclameposters. Ik moet even bekomen van de schok. Houellebecq schrijft: "I want maximum saturation, I want it painful, I want the colours garish. I think saturation and tourism go well together. Tourism is a shock."

Een andere kamer is volledig gewijd aan de hond van Houellebecq. Bij de ingang hangt een ingelijste foto van de grafsteen van Clement. In een vitrinekast zijn alle speeltjes uitgestald die de hond gedurende zijn leven heeft gehad. Aan de wanden hangen tientallen buitengewoon amateuristische aquarellen die Houellebecq heeft gemaakt van zijn hond, met titels als: Nieuwsgierig naar alles. In een aangrenzende ruimte is een diashow te zien met alle foto's die Houellebecq van zijn hond heeft gemaakt. Een lied van Iggy Pop op tekst uit De mogelijkheid van een eiland begeleidt de foto's.

“Buffon zei: Stijl is de mens.”, aldus Houellebecq: “Dat is niet onjuist.”
Ik heb er over het algemeen een hekel aan als mensen meer geïnteresseerd zijn in het leven van de schrijver, dan in zijn werk. In het geval van Houellebecq zou ik een uitzondering willen maken. Zowel zijn stijl als zijn persoon hebben iets, dat mij diep ontroert en tegelijk aan het lachen maakt.

De laatste zin op het informatieblaadje bijvoorbeeld: “Suddenly, an intrustive, gloomy romanticism emerges re-enligthening the whole, and a second visit can begin. That would mean total succes, and I can't hope for it very often; if I get there with one or two people a day, then that will be fine.”

Maar eerst even zitten

zondag 21 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees (2)

Ik heb wel een theorie ontwikkeld over hoe St. Antonius aan zijn varken kwam. Op zijn twintigste trok Antonius naar de woestijn om zijn leven aan God te wijden, wat onder andere inhield dat hij niet meer at. De duivel begon Antonius dan ook te tarten met visioenen van overvloedig eten. Zodra de jonge, hongerige kluizenaar ergens ging zitten, verscheen daar ogenblikkelijk een rijkgevulde tafel, maar als hij opstond loste deze op in het luchtledige. De duivel begreep dat hij met meer moest aankomen dan luchtspiegelingen en bereidde een groot feestmaal, met als hoogtepunt het varken op het spit. Het varken op het spit, met zo'n klein rood appeltje in zijn bek, is misschien inmiddels wat clichématig, maar we spreken hier over de derde eeuw na Christus en in die tijd was een dergelijk varken nog heel wat. Antonius was echter niet onder de indruk. Hij trok het varken van het spit en wekte het weer tot leven. Sint Antonius zag het varken in al z'n roze pracht en was meteen verliefd. Het varken beantwoordde zijn liefde en was zo dankbaar dat hij Sint Antonius eens per jaar op diens verjaardag toestond om hem op te eten, met de voorwaarde dat hij hem nadien weer tot leven zou wekken. Sindsdien en tot de dag dat Antonius, op 105-jarige leeftijd, stierf, waren ze onafscheidelijk. Dit is het eerste nog immer onbekende mirakel in het leven van de heilige sint Antonius.

Ik noemde mij een kunstenaar en als kunstenaar wilde ik leven. Zoals Antonius naar de woestijn trok om zich aan God te wijden, zo trok ik mij terug uit het leven om het op te offeren aan de kunst. Ik kocht varkensharen kwasten, die hebben een prettige stugheid, en begon te offeren. De visioenen brachten echter geen inspiratie. Het varken in mijn ziel liet zich zien in de gestalte van een slang. De slang draaide zich om mijn borst, tot ik opeens ontdekte dat ik niet meer kon ademen. Het geval wilde dat ik ongelukkig werd. Als het de duivel was die me in die dagen kwam verzoeken, dan had hij me toch op zijn minst een wulpse, naakte vrouw kunnen aanbieden. Ik had haar met beide handen vastgegrepen. Maar de duivel getroostte zich geen moeite. Ik moest zelf op zoek, maar ik bleef zitten, in de ban van de luchtspiegelingen van mijn gedachten.

Het is of ik in mijn ziel een wild varken heb. Hij knort en snuift van ongeduld. “Wanneer gaat dat leven van je nou eens beginnen?”, vraagt hij me. Zie hier mijn innerlijke strijd: de kunstenaar in mij wil zijn varken niet voeden en daarom begint het beest maar aan mij te knagen. Hij begint met mijn voeten en eindigt met mijn gedachten, die hij gulzig verorbert, voor hij in de modder gaat liggen om zich enkel nog te verroeren wanneer hij de plotselinge behoefte voelt om zijn ballen te likken. Zo blijft hij liggen, dagen, of weken aaneen. Ik heb eens geprobeerd mij te bevrijden van het varken door het aan te vallen met een mes, alleen om erachter te komen dat ikzelf het varken was. Het rode bloed dat uit mij sijpelde, bracht enige verlichting, voor ik me weer in de modderpoel liet zakken.

Nu is er inmiddels menig vrouw, want al het leven begint bij de vrouw, op mijn pad verschenen, of toch zeker enkele, meer dan één, maar mijn onrust blijft me plagen. Ik ben op een zekere manier onthecht geraakt van het leven, alsof ik te lang in de spiegel heb gekeken en langzamerhand het spiegelbeeld ben geworden.

Om mijn minachting voor het leven in al zijn omvang te begrijpen, moet ik misschien vertellen over Sandrien. Ik zag Sandrien voor het eerst bij een leesgroepavond van de studentenvereniging Flanor en vanaf die avond was ik niet meer instaat om te poepen, of winden te laten. Deze constipatie nam zulke sterke vormen aan, dat mijn maag zich tot schrikwekkende grootte begon op te blazen en ik, wanneer ik mij in dezelfde ruimte bevond als Sandrien, gekweld werd door hevige pijnscheuten. De avonden bij Flanor duurden tot in de ochtend en ik herinner me hoe ik vaak bij het eerste licht naar huis rende, om op de wc neer te storten, zonder dat deze verlichting bracht. Ik probeerde het met slaan, met hard op mijn buik slaan. Ik hoopte dat de ballon zou knappen en de lucht naar buiten zou lopen, maar wat ik ook deed, het hielp niets. En voordat je denkt dat ik een slachtoffer ben, moet je weten dat het een bewuste keuze was. Zodra ik bij Sandrien in de buurt kwam, schakelde ik mijn darmstelsel uit en mijn lichaam wreekte zich de volgende ochtend. Erger dan de pijn zou het voor mij zijn geweest, dat Sandrien mij zag als het varken dat ik was. Maar hoe dieper ik het varken wegstopte, hoe lelijker hij werd.

Voor zover mijn verwantschap met het varken. Ik sprak ook over een grote verandering. Daarvoor moet ik nog even terugkeren naar Bretagne, naar een strand, een grot en een groot gevoel van angst.

Nee, misschien moet ik nog verder terug: Het was 9 augustus, twee jaar geleden. Sandrien en ik waren in Noorwegen. Het stormde. Bomen werden ontworteld. In een haventje was zelfs een boot, die de naam “Gleden”(Genoegen) droeg, door de hoge golven van de kade losgeslagen en had daarbij een stuk steiger meegenomen. We besloten om te gaan zwemmen. Ik beschreef het toen als volgt: “Ik had als enige zwemkleding en voelde een lichte gêne om te zwemmen met drie naakte vrouwen, maar ik begreep het gevoel van vrijheid dat zij vierden wel enigszins.” Ik schreef toen niet over angst, omdat ik die niet voelde. Wel beschreef ik hoe we over ons hele lichaam en in het bijzonder tussen onze benen, de zwembroek had in deze kwestie de zaak alleen maar erger gemaakt, rode bulten hadden door de kwallen die met de storm richting land waren gedreven. Het dagboek dat ik bijhield was als een sluier over mijn ervaringen, waardoor het gevaar van de zee mij ontging, maar ik me de jeuk van de rode bulten nu nog levendig herinner.

Het is een merkwaardig toeval dat amper een week later, nadat we de boot “Genoegen” zagen kapseizen in de zee, we ons afvroegen of Sandriens ouders nog leefden, maar daarover zal ik nu niet schrijven.

Ik dwaal wellicht af, maar laat me dwalen, want dwalen is mijn manier van de weg vinden.

Dit jaar keerden we terug naar Noorwegen. De eerste week waren we in de Fjorden en hield ik me voornamelijk bezig met het vangen van vissen. Dagenlang stond ik op een steiger en uur na uur wierp ik de hengel opnieuw uit. Een vreemd gevoel maakte zich van me meester wanneer ik opeens een vis aan de lijn voelde trekken en in het bijzonder wanneer de kracht zo groot was, dat de nog onbekende vis in mijn gedachten een gigantische gestalte aannam. De eerste keren liet ik de vis ontsnappen, maar ik was al verslaafd. Toen ik eenmaal een vis op het droge had, moest ik hem doden door eerst de onderkant van de kop los te maken van het lijf en in dezelfde beweging de kop van de vis te trekken. Het rode bloed spoot met grote kracht uit de vis, en omdat ik er niet op bedacht was, spoot het over mij heen. Na de vis van organen te hebben ontdaan, legde ik hem in een emmer water en merkwaardig genoeg begon hij, na vijf minuten zonder kop en organen daar te hebben gelegen, plotseling te zwemmen.

Hoewel mijn beestachtigheid wel bevredigd werd door deze beoefening van wreedheid, was het de tweede week in Noorwegen die het varken in mij echt tot rust bracht, al besefte ik dat pas veel later. In de tweede week trokken we naar een gebied waar geen mensen en geen dieren leefden, om daar enkel te leven op wat we hadden meegebracht. Sint Antonius had weliswaar niet de beschikking over droog voedsel dat met een beetje kokend water in een volledige maaltijd veranderde, maar toch is het wellicht het dichtst dat ik ooit bij zijn verblijf in de woestijn zal komen. Sandrien genoot van de woeste natuur, maar ik kon haar gevoel niet delen. Ik voelde enkel een grote angst. En tijdens die week besefte ik al waarom ik zo bang was. Ik had geen schetsboek mee en hield ook geen dagboek bij. Alles wat ik meemaakte, drong direct door in al zijn ruwe werkelijkheid en het maakte me doodsbang. Als ik over de sneeuw glibberde langs een diep ravijn, dacht ik niet aan het verhaal dat ik erover zou kunnen schrijven, maar alleen aan de pijn die ik zou voelen wanneer ik beneden lag.

Nu was het in Bretagne, dat die angst plotseling terugkwam. Ik was afgelopen weekend in Bretagne met Sandrien. We waren op een klein schiereiland. Het was erg warm. We hadden twee liter water mee, maar dat was na een paar uurtjes op, waardoor we bij iemand moesten aanbellen om onze flessen bij te vullen. Had Sint Antonius geen dorst in de woestijn? We besloten de nacht door te brengen op een strand. Sandrien wilde eigenlijk in een grot slapen, maar ik zag dat niet zitten. Het strand nu, was klein, met aan alle zijden, behalve waar de zee was, hoge rotswanden. Met eb waren we erheen gelopen en het pad was verdwenen in de opkomende zee. Het was al donker toen de zee steeds dichter naar ons toe kroop en we ons afvroegen hoe hoog die eigenlijk zou komen en op dat moment voelde ik weer dezelfde angst. Achteraf bekeken was de angst waarschijnlijk belachelijk en was het veel gevaarlijker, dat we midden in de nacht een rotswand hebben beklommen, maar over redelijkheid, dat mag inmiddels duidelijk zijn, voel ik niet de behoefte om te schrijven.

En al die inleiding had ik nodig, om een ontmoeting te beschrijven, die ik had met een beeld.

“Au Grand Antoine”, staat geschreven boven de vriendelijk ogende grijsaard. Hij draagt een zware monnikspij en sandalen. Het varken kijkt van beneden lachend omhoog naar zijn beschermheilige. Het is 14 augustus. Ik sta tussen de honderden duiven en de zwervers, die zich om onbekende reden verzamelen onder de Porte st. Denis in een geur van urine en ik staar in complete vervoering omhoog naar de Grote Antonius. En ik realiseer me plotseling dat mijn varken naast me staat, zoals het varken van sint Antonius, als een vriend. En dat de oplossing zo eenvoudig is, namelijk het ontzag voor de natuur. Soms moet het leven in al zijn volheid worden ervaren, zonder spiegel ertussen. De angst, die ik daarbij voelde, heeft het varken gevoed en angst is veel voedzamer dan schamele gedachten. Ik voel een verlangen om te scheppen in mij opkomen.

dinsdag 16 augustus 2016

De verlokkingen van het vlees

“31”, verzucht Sandrien, “de dood nadert.” Overvallen door duizeligheid, leunt ze op de bank. De zonnestralen hebben zich in haar hoofd genesteld en ook al zijn we weer in onze koele kamer op de vierde verdieping aan de Bonne Nouvelle, toch tillen ze haar nog af en toe op, om haar vervolgens te laten vallen. Dit is het moment dat ik schrijf: we zijn het weekend in Bretagne geweest. Het is 15 augustus, een lome maandag, omdat het een nationale feestdag is in Frankrijk. 13 Augustus was Sandrien jarig. Buiten is het 30 graden, dat weet ik omdat ik daar net heb rondgedwaald. Ik zit aan de keukentafel. Door het open raam komen etensgeuren die mij duizelig maken. Toch ben ik nog vol van de gedachten die me buiten overvielen. Misschien ben ik Parijs met andere ogen gaan zien, omdat ik een paar dagen ben weggeweest. Of misschien is Parijs veranderd. Wat vaststaat is dat alles anders is.

Ik ben net als Sandrien verbrand op de stranden van Bretagne, maar het is niet de zon die mij te pakken heeft gekregen. Ik moet toegeven dat de pukkel op mijn neus, die, daar ben ik diep van overtuigd, vele jaren geleden ontstaan is doordat mijn neus in de zon verbrand was, weer is gaan opzetten. Sandrien houdt zich af en toe bezig met het uitknijpen van de pukkel, al laat ik haar maar zelden begaan, omdat knijpen in de neus bijzonder pijnlijk is. Ik heb mij al lang neergelegd bij de afbreuk van het gezicht, dat ooit wel potentie heeft gehad, maar het altijd toch meer moest hebben van zelfspot. Het is wel toepasselijk, dat mijn neus steeds roder en groter wordt en langzaam verandert in een clownsneus. Nee, waar ik het over heb gaat dieper dan uiterlijkheden. Het betreft een heilige en een varken.

Het begon er allemaal mee dat, toen we terugliepen van Gare du Nord, na het weekend in Bretagne, mij een beeld opviel, een heilige met een varken, dat op de hoek van mijn favoriete straat, de gevel van een gebouw opsierde. Het was Sint Antonius. In de Rue du Faubourg st. Denis, zou je toch het beeld van sint Denis, haar naamgever, verwachten, die met zijn eigen hoofd in zijn handen door verschillende andere Parijse straten dwaalt, zoals de legende vertelt: nadat hij onthoofd is, op zoek naar de plek waar hij begraven wil worden. Hoe was het mogelijk dat het Sint Antonius was en hoe was het mogelijk dat hij me nooit eerder was opgevallen?

Het is misschien belangrijk om te vertellen dat deze sint Antonius, die de plaats van Denis had ingepikt, mij al jaren fascineert. De eerste keer dat ik hem zag was in een schilderij van Max Ernst, De verzoeking van sint Antonius. In dit schilderij wordt de arme heilige door een prachtige verzameling op Hiëronymus Bosch geïnspireerde monsters aangevallen, die hem van het geloof proberen te brengen. Sindsdien heb ik vele verbeeldingen van hetzelfde onderwerp gezien, van Bosch zelf, Tiepolo, Lorraine, Fantin-Latour, Cezanne, Rops, Dali etc. Sint Antonius wordt aangevallen door duivels of verlokt door mooie vrouwen, waarop hij tot God bidt om hem van deze verzoekingen te verlossen. Het is een geliefd thema onder kunstenaars, de verzoeking van de heilige door de duivel, ten eerste natuurlijk omdat het hen een goede reden geeft om wulpse, naakte vrouwen en groteske duivels te schilderen, maar ook omdat de legende een innerlijke, menselijke strijd verbeeldt. Het is de innerlijke strijd tussen de heilige en het varken, die mij zo fascineert. Zoals ik de verzoeking zie, is Sint Antonius niet zozeer bang voor de duivels, maar eerder voor het verlangen om het beest in hemzelf vrij te laten.

Ik besef heel goed dat ik meer varken in mij heb dan heiligheid en om op mijn neus terug te komen, misschien groeit deze wel uit tot een roze, ronde vleesschijf, waarmee ik naar hartenlust door de modder kan wroeten, wat me niet geheel onplezierig lijkt. Maar ik denk ook dat hoe beestachtiger de mens is, hoe meer hij deze kant van zichzelf zal wegdrukken, om het monster, waartot het uitgroeit, er alleen op enkele momenten nog uit te laten.

Laat ik nog even terugkeren naar het moment waarop ik het beeld van Sint Anthonius zag, op de hoek van de Rue du Faubourg St. Denis. Sandrien en ik waren het weekend naar Bretagne geweest. De terugreis was moeizaam. Het begon met een oververhit toeristentreintje en eindigde in een piepklein autootje, met drie mensen op de achterbank. De chauffeur, een dikke, hyperactieve man, maakte voortdurend grappen waar zijn vriendin, een klein, onaantrekkelijk wezen met een strenge bril op zo'n typisch Frans mager neusje, telkens onbedaarlijk om moest lachen, terwijl hij, ook wanneer de weg volledig recht was, telkens, maar toch op onverwachte momenten, met korte rukjes aan het stuur trok, zodat ik, omdat ik al met mijn lijf tegen de deur zat aangedrukt, telkens met mijn hoofd tegen de deur aan botste. Ik voelde gassen in mijn darmen opborrelen, het zweet liep van mijn voorhoofd en mijn voeten jeukten van de warmte, waardoor ik deze in de beperkte ruimte op alle mogelijke manieren probeerde te strekken. De man aan wie ik inmiddels een gloeiende hekel had gekregen reed op het Place Charles de Gaulle bijna op een bus in, maar was wel zo vriendelijk ons af te zetten bij Gare du Nord, vanwaar we over de Rue du Faubourg St. Denis naar huis liepen.

Er hing de gebruikelijke, drukke, gezellige sfeer in de straat en, hoewel ik grote stappen maakte om mijn benen ten volle te streken na hun urenlange, benarde positie, genoot ik ervan. Ik geloof dat ik tegen Sandrien zei: “We komen al gevaarlijk dicht bij huis”, zonder te begrijpen waarom ik zoiets zou zeggen. Ik geloof dat ze antwoordde: “Wat bedoel je?” Aan het eind van de straat zagen we al de Porte St. Denis, de triomfboog die opgericht is om de overwinning op de Nederlanders te vieren, een gebeurtenis waar wij Nederlanders aan refereren met 'Het rampjaar'. We liepen al bijna langs de poort, toen ik plotseling op de hoek van de straat het beeld zag van Sint Antonius met zijn metgezel het varken.

Waarom Antonius een varken bij zich heeft, heb ik me vaker afgevraagd, maar ik heb nooit de moeite genomen het uit te zoeken. Wel weet ik dat hij patroonheilige is van de varkens en de slagers. Dit lijkt een vreemde combinatie. In de rue du Faubourg St. Denis, waar zijn beeld zich bevindt, bevinden zich opvallend veel slagers, meer dan waar ook in Parijs. Het grappige toeval, ik noem het toeval, maar accepteer het onmiddellijk als verklaring voor de merkwaardige combinatie van patronages, is dat deze slagers halal zijn, en geen van allen varkensvlees aanbieden. Waarom schrijf ik deze irrelevante gedachte op?

Ik merk dat ik aarzel. Nu het komt op mijn innerlijke strijd, mijn verwantschap met het varken, en de essentie van de grote verandering die is opgetreden, moet ik toegeven dat ik terugdeins. Ik ben zonder meer bereid om te schrijven over ontmoetingen met beelden en de wanstaltigheid van mijn neus, maar nu dringt mijn pen door tot onder mijn huid. Misschien moet ik even pauzeren, op adem komen, en dit schrijven later vervolgen.

maandag 15 augustus 2016

Le petit chat et les étoiles filantes

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. De Perseïdenregen die elk jaar Sandriens verjaardag aankondigt, zou in Parijs verbleken bij het licht van de stad en dus zijn we onderweg naar Rennes. Ik zit op de achterbank van een zwarte Nissan Qashqai. Baptiste, de chauffeur, praat met Sandrien. “Ik ben vanochtend met de auto naar de wasstraat geweest, want ja, ik wil wel dat hij er een beetje mooi uitziet, als ik mensen meeneem. Kijk nu wat de vogels hebben gedaan.” Hij drukt op een knopje en het glazen dak, besmeurd met vogelpoep, komt tevoorschijn. De auto is desondanks indrukwekkend. Als Baptiste met hoge snelheid door een tolpoortje rijdt, verschijnen camerabeelden van de achterkant van de auto op een scherm, waarop de mogelijke obstakels worden uitgelicht. Baptiste mindert enkel snelheid, als een auto voor hem zich plotseling aan de norm houdt en lijkt stil te staan, of als een alarm in de auto afgaat, wat betekent dat er snelheidscontrole is.

Zijn rijstijl is echter zeer vertrouwenwekkend en terwijl we over de péage zoeven, herhaalt Baptiste rustig wat hij al een paar keer heeft gezegd, zodat we hem goed kunnen volgen. Hij is radiocommentator bij NRJ (énergie). “Vergelijkbaar met radio 538”, zegt Baptiste, waarbij hij 538 in perfect Nederlands uitspreekt. Hij vraagt wat wij doen en zoekt ondertussen op zijn mp3-speler naar een uitzending van radio 538. Niet veel later zijn we in Rennes. “Als je wilt camperen, moet je niet hier blijven.”, zegt Baptiste. “Vannes is veel mooier.”

We gaan naar Bretagne om de sterren te zien. In mijn schetsboek heb ik in grote letters “VANNES” geschreven. We staan langs een rotonde, waarvan we hopen dat een van de wegen naar Vannes leidt. Als we het ergste beginnen te vermoeden, stopt een klein autootje voor ons en een jonge jongen roept ons. “Niemand hier gaat naar Vannes”, zegt hij. “Maar als jullie willen, kan ik jullie wel naar Molac brengen.” We hebben geen idee waar Molac ligt, maar stappen in de auto. Corentin (noem me maar Coco) stelt niet veel later voor dat we naar zijn huis gaan. “Ik heb een grote tuin, dus daar kunnen jullie ook de tent opzetten, als jullie dat willen.”

De tuin is inderdaad heel groot. Er staat een zwembad (waar we in mogen zwemmen als we dat willen) en achter een schuurtje ligt nog een weiland dat er ook bij blijkt te horen. In de tuin ontmoeten we Sacha, Grisi en twee katten waarvan we de namen nooit te weten komen. Sacha is een oude hond, die eerst heel bang voor ons is, maar al snel over ons heen wil kwijlen. Grisi is een kleine kitten die de hele dag op vliegen jaagt en aan het eind van de dag naast me op de bank in slaap valt. Hoewel de kat langharig is, de poes zwartwit, en Grisi zwartwit en langharig, vertelt Corentin dat het niet een kitten van de twee katten is.

Corentin geeft ons twee biertjes en verdwijnt in de keuken, zoals later blijkt om voor ons te koken. Wij voelen ons licht ongemakkelijk bij zoveel gastvrijheid en we besluiten maar om in de tuin te gaan zitten en af te wachten wat er gaat gebeuren. Als de zus van Corentin thuiskomt, verwachten we ook even dat we weggestuurd zullen worden, maar zij blijkt even hartelijk als haar jongere broertje. “Hij is niet zo'n goede kok.”, zegt ze tegen ons, als we onze borden opscheppen.

Na het eten gaan we wandelen. Corentin legt ons uit hoe we op een mooi pad kunnen komen, Sacha rent nog een stukje met ons mee, en dan lopen we opeens in de bossen van Bretagne. Het pad lijkt wel oneindig en als het al begint te schemeren, slaan we een ander pad in. Op een gegeven moment cirkelen de vleermuizen om ons heen en stel ik voor om maar weer terug te gaan. Ik heb het idee dat als ik het niet had voorgesteld, Sandrien voor altijd door was gelopen, bedwelmd door de geur van bomen en gras. We lopen onder dezelfde brug door waar we even tevoren onderdoor waren gekomen. Ik had niet gezien dat het een brug was en nu vraag ik me hardop af of er een auto overheen zou kunnen. “Nee, niet over deze brug.”, zegt Sandrien, net als er een auto aan komt, die over de brug rijdt. De auto stopt echter boven op de brug en dan horen we een stem: “Sandrien, c'est vous? Vous êtes perdu?”

Als we weer bij het huis komen, zit Corentin met een vriend, Julien, naar de Olympische Spelen te kijken. “Kom, willen jullie een glaasje wijn?” We gaan zitten op de bank en Grisi, de kleine kitten springt op mijn schoot. Corentin vertelt dat hij bij een plantenkwekerij werkt. “Mijn baas drinkt 's ochtends voor acht uur twee flessen whisky en dan zien de klanten hem op de grond slapen.” Hij laat een foto zien van zijn baas die op de grond ligt te slapen. “Wacht, willen jullie een Bretonse specialiteit?” Hij haalt een fles drank uit de keuken en schenkt vier eierdoppen vol. “Zelf gedistilleerd van cider. We noemen dit Le Goût.” Het is erg lekker. Alleen Julien weigert zijn eierdopje op te drinken. Als ik me even later afvraag of deze is overgebleven, zie ik dat het houten eierdopje is gebarsten en de drank is verdwenen. “Het is zulk sterk spul!”, lacht Corentin.

We zijn naar Bretagne gegaan om de sterren te zien en die nacht zien we ze, de vallende sterren. Als de maan rond een uur ondergaat, is de hemel opeens gevuld met sterren. De Melkweg is duidelijk zichtbaar en vormt een grote diagonaal. En om de zoveel tijd schiet er plotseling een lichtflits door de hemel die soms zelfs even een spoor achterlaat. Sandrien ziet meer vallende sterren dan ik, maar dat is ongetwijfeld het cadeau van het heelal voor haar verjaardag.

De volgende dag worden we, nadat we iedereen twee keer hebben gezoend en we afscheid hebben genomen van le petit chat en de oude hond, door Corentin naar Auray gebracht, vanwaar we met een kleine trein naar Quiberon kunnen, want “Vannes is wel mooi, maar Quiberon is nog mooier.”

zondag 31 juli 2016

Vrijheid en andere grote woorden

Dit weekend ging ik met Sandrien naar 'Cinéma en plein air'. Het is een onderdeel van het festival La Villette, een soort Noorderzon. We kwamen op een groot grasveld waar wat mensen baguette en wijn nuttigden, maar waar geen bioscoopscherm te bekennen was. Om reden van de veiligheid was het festivalonderdeel omgedoopt tot 'Cinéma en plein air en intérieur'. We moesten naar een grote zaal. Nadat ik uitgebreid gefouilleerd was en Sandrien haar tas had afgestaan, mochten we ons bij de andere 998 mensen voegen.
Ik maakte me een beetje boos en begon een tirade over vrijheid en democratie, waarna ik onderuitgezakt in mijn strandstoel bezorgd vroeg of Sandrien de chips wel naar binnen had weten te smokkelen. En tirades over de vrijheid lijken al snel belachelijk in deze stad waar mensen op straat drinken en dansen, waar vrouwen geen bh's dragen en waar overal vrij gediscussieerd wordt over van alles en nog wat en vooral over de arbeidswet. Oh, en waar je gratis naar de film kan.
Maar ik maak me zorgen om Frankrijk en om de vrijheid en daarom voel ik de noodzaak om de pen op te pakken. Ik weet niet eens zeker waar ik me zorgen om maak. Over het feit dat de noodtoestand al sinds november vorig jaar van kracht is, ondanks het feit dat Hollande zelf heeft gezegd dat bij verdere verlenging Frankrijk niet langer een republiek zou zijn waar in alle omstandigheden een rechtstaat van kracht is, of dat diezelfde Hollande volgens Amnesty International de mensenrechten schendt met huiszoekingen e.d., in al die zaken heb ik me eigenlijk te weinig verdiept om er iets verstandigs over te kunnen zeggen. Ik denk dat het wel eens raar zou klinken als je overal het woord terrorist door staatsvijand zou vervangen, maar ik heb dat nog nooit geprobeerd.
Alleen als ik 's ochtends mijn deur uitga en ik tegen zeven zwaar bewapende soldaten op bots, als ik langs honderden politieagenten met schilden en gasmaskers loop wanneer ik mijn boodschappen doe, wanneer elke willekeurige man met het woord sécurité op zijn shirt mij mag fouilleren en mijn tas mag bekijken, dan vraag ik me toch af wat hier aan de hand is. Het gaat niet om mijn ongemak. Ik was boos toen in Nederland de identificatieplicht werd ingevoerd, maar niet veel later was ik het alweer vergeten. Ik open nu al automatisch mijn tas als ik in Parijs een winkelcentrum of museum binnenga, ik spreid mijn armen als de beveiliger naar me toe komt. Ik ben het gewend en met verdere maatregelen zal het wel net zo gaan.
Maar ik vraag me af of er niet toch iets verandert in een stad waar het leger door de straten patrouilleert en waar zoveel wordt opgegeven voor de veiligheid. Ik vraag me af of die schijnveiligheid het waard is.

vrijdag 17 juni 2016

Water

Er stroomt een beekje in ons trappenhuis. Hij begint op de derde verdieping bij een kapotte waterleiding en hij stroomt deels buitenom en deels langs de trap naar beneden. Mijn schoenen maken een zompig geluid als ik naar beneden loop. Op de tweede verdieping regent het. Buiten zegt de mevrouw die alles regelt: “Ze zouden vanmorgen komen.”
Met mijn schilderskoffer en ezel om mijn schouder en een groot bord op mijn rug, loop ik richting Canal st. Martin, sinds kort mijn vaste plekje om te schilderen. Het is maar lastig manoeuvreren met dat bord op mijn rug en als ik langs de prostituees kom, komt er net een groep nonnen aan van de andere kant, zodat ik me zijwaarts tussen de nonnen en de hoeren door moet wurmen. Was ik maar bijgelovig, dan had ik misschien rechtsomkeert gemaakt.
Nu zit ik te schilderen aan het kanaal als het begint te regenen. Het begint met wat drupjes die verdampen in de zon. Ik lach vriendelijk naar de mensen die mij vreemd aankijken terwijl ze staan te schuilen onder de luifels van een restaurant. Maar de regen lacht naar mij en ze buldert van het lachen, terwijl er stromen speeksel uit haar mond vliegen. Op de schilderskoffer die ik gebruik als palet, ligt al snel een laag water, zodat ik bij het mengen meer water verplaats dan verf. Op het schilderij zoeken de regendruppels angstig naar een plekje waar mijn kwast nog niet is geweest.
Een man die niet bang lijkt voor de regen, loopt achter mij langs. “Eerst is het lente, dan is het zomer, vijf minuten later is het herfst en nu is het winter!”, zegt hij.
Hij heeft gelijk, ik krijg het plotseling heel koud. Ik moet heen en weer lopen om op te warmen en springen. Als ik weer ga schilderen, heb ik geen geduld meer voor de kwasten. Dan maar met het paletmes. De verf spat in het rond en als ik klaar ben, zit het overal, op mijn armen, op mijn gezicht en ook een beetje op het doek.
Thuis is het lastig manoeuvreren door het trappenhuis met het bord waar nu een nat schilderij op zit en het valt me niet op dat het beekje op de derde verdieping is gestopt met stromen. Pas als ik mijn handen wil wassen en de kraan opendraai en er geen water uit komt, gaat er een lampje branden. Uitgeput en dorstig, val ik op de bank. Ik vervloek de regen en Parijs en het leven. Als Sandrien 's avonds laat thuiskomt, zegt ze lieve woordjes, zoals: “Ach, dan drinken we toch bier.” En alles is weer goed.

zondag 12 juni 2016

Un dilemme

Gisteren ga ik voor eerst op de fiets met Sandrien door Parijs. Het is even wennen dat auto's vlak voor je afslaan, waardoor je hard op de rem moet en op de drukke kruispunten fiets ik voor de zekerheid maar over de stoep. In het Bois de Boulogne is het rustiger. In het begin, dichter bij de weg, lopen er nog veel prostituees rond, maar die verdwijnen ook, wanneer we dieper in het bos komen. Bij een grote vijver, pauzeren we met wijn en baguette.
Er rijdt een man op een paard om de vijver. In de vijver roeien stelletjes en vier mannen van middelbare leeftijd met kapiteinspetten op. Een vrouw is aan het trainen met haar personal trainer, die voor de gelegenheid zijn shirt heeft uitgetrokken. Ze doen hun armen steeds omhoog en dan weer naar beneden. Hij legt zijn handen op haar borsten om haar te helpen ademen.
De zon schijnt niet heel fel en de 2 euro wijn is niet goed, maar toch hebben de bomen prachtige, lichte kleuren, zacht paars met wat gele okers.
Een meisje dat aan het hardlopen is aan de andere kant van de vijver ziet het kennelijk ook, want ze stopt plotseling om een foto te maken. Ze laat bijna haar mobiel vallen en rent dan weer verder.
Twee mannen lopen langs met een hond. Het is een klein hondje en hij is duidelijk niet de jongste meer. Hij sjokt traag achter de mannen aan, die nu al veel verder zijn. De hond heeft een vertederende traagheid en we verwachten dat hij nu toch elk moment een sprintje gaat inzetten, maar zijn baasjes wachten, tot de hond die rustig doorsjokt, weer bij is.
Een andere man lacht als Sandrien een van zijn twee honden probeert te aaien. Hij heeft beide honden aan de lijn en als er een boom op zijn pad komt, besluiten de honden de boom aan verschillende kanten te passeren. Als de man tegen de boom staat met zijn armen aan beide kanten, waardoor het lijkt alsof hij de boom omhelst, draait hij zijn gezicht naar ons toe en zegt: “Un dilemme.”

zaterdag 11 juni 2016

De stoel

Midden in de ruimte staat op een houten platform de stoel. Het is een grote leren stoel met een veiligheidsbeugel als bij een achtbaan. “That's quite intimidating.”, zeg ik grappend. Matthieu antwoordt droog: “No, it's not.” “You can sit on the chair now”, mompelt hij. Ik ga op de stoel zitten. Hij geeft me een bedieningspaneel. Als ik aan een knopje draai, begint de stoel om zijn as te draaien. Hoe verder ik het knopje draai, hoe sneller de stoel draait. “Try to stop the chair. That's important, as it will be more difficult when you're blindfolded.”
Ik doe mee aan een experiment. Er is echter een technisch probleem en meer dan een paar proefrondjes op de stoel zit er vandaag niet in. Terwijl hij een hamburger eet, staart Matthieu, de wetenschapper, nog een kwartier naar het laadscherm van een Iphone die kennelijk essentieel is voor het experiment, voordat hij mompelt dat ik naar huis kan gaan. Ik daal de veertien trappen af en verlaat de universiteit.
Dezelfde vuilnismannen en een vuilnisvrouw die ik op de heenweg zag, zie ik amper twee straten verder bezig de overvolle bakjes te legen. Door de stakingen liggen de straten vol met afval, maar nu het EK is begonnen, wordt het toch maar opgehaald. Ik heb wel medelijden met de vuilnismannen, maar ik denk ook met enige nostalgie aan de dag dat ik in mijn eentje 23 ton ophaalde.
De bergen afval staan in schril contrast met de antiquairs in Quartier Latin. Het zijn niet het soort met zilveren theelepeltjes en antieke bureaus. Deze antiquairs verkopen echte kunst. Er is zoveel te zien: wandkleden die eruit zien als schilderijen, een stoel met een eiffeltorenconstructie, een drie meter hoge, gouden giraffe etc. Ik durf deze winkels niet naar binnen te gaan en loop maar verder.
Als ik de Seine oversteek over de Pont des Arts kom ik langs de beelden van Daniel Hourdé. Zijn beelden gaan over hemel en hel. Een draagt ook de titel: Le paradis est un enfer. Het lijkt wel alsof de kunstenaar moeite heeft met het maken van keuzes en daarom maar geen keuze heeft gemaakt. Een gebarsten, zilveren Venus met een masker van een hertenschedel staat voor een vallende man die worstelt met een duivel van pluche, alles weerspiegeld in een metalen boom. “Don't sit here.”, staat op het houten platform onder de beelden. Er zit een stelletje naast met een fles witte wijn en een baguette.
Op een kleedje op de rue Montmartre zit een moeder met drie jonge dochters. Even denk ik dat een van de dochters, een peutertje, niet meer leeft. Ze ligt in de brandende zon te slapen en ze ligt er zo dramatisch bij met haar armen en benen naar alle kanten uitgestrekt op het felrode kleedje, dat de hele scène zo uit een schilderij van Delacroix lijkt te komen. Ik betrap me erop dat ik als schilder naar het dakloze gezin kijk.
Verderop zit nog een gezin op een kleedje op de grond. De moeder geeft borstvoeding aan haar jonge baby. Een jongentje, ook niet ouder dan drie, heeft vreemde wondjes op zijn gezicht.
Thuis ga ik even zitten om vervolgens met mijn schildersspullen weer te vertrekken. Ik volg de Rue de Saint Martin naar het Canal Saint Martin.
Bij de Porte Saint Martin zijn vier vrouwen aan het badmintonnen. De zwerver die tegen de poort zit volgt de pluim door de lucht, als een toeschouwer bij Roland Garros.
Langs het kanaal zitten veel Fransen wijn te drinken en te genieten van de zon. Het is een rustige plek. Ik leg mijn papier op de grond en begin te schilderen. Ik heb een ongemakkelijke houding om te schilderen en ik ben het gereedschap vergeten om mijn ezel op te zetten, maar als ik af en toe ga staan, gaat het heel aardig. Als het schilderij redelijk af is en mijn benen volledig gevoelloos zijn, loop ik weer naar huis. Thuis was ik de olieverf van mijn armen en gezicht en val uitgeput op de bank.
Het is vreemd hoe ik vandaag meer heb gedaan dan in de afgelopen week en dat terwijl ik zeker drie uur door de stad heb gelopen. Maar het is juist ook dat lopen dat me zoveel energie geeft. Het is het zittend bestaan dat ervoor zorgt dat dagen veel te snel voorbij gaan. Dit is geen nieuw besef voor mij, maar het is zo contra-intuïtief dat ik het steeds weer lijk te vergeten.
Het is ook dat zittend bestaan wat me zo verdrietig maakt als ik de daklozen van Parijs zie. Het niets te doen hebben. En het beeld van dat peutermeisje dat midden op de dag lag te slapen, zal ik niet snel vergeten.

dinsdag 24 mei 2016

Youtube

Dus ik ben bezig met Youtube. Ik heb een paar filmpjes gemaakt en heb het plan opgevat om een volledige serie te maken. Het is nog zoeken naar de juiste manier om een tekenles in een youtubefilmpje te vatten, maar het eerste filmpje staat op internet en is te vinden via deze link:


In de Tutorial-serie begin ik met twee verschillende benaderingen van hetzelfde onderwerp. In de eerste aflevering heb ik een lijntekening gemaakt. In de tweede aflevering maak ik weer een portret, maar nu bouw ik het op vanuit de vlakken. Deze verschillende benaderingen (lineair/picturaal) vragen van de kunstenaar een verschillende manier van kijken.
Een lijn kan een contrast, een vorm, of een volume aangeven. Vlakken kunnen voornamelijk vlakken beschrijven en wanneer je niet gewend bent om vanuit vlakken te werken, voelt het alsof je hier niet alles mee kunt wat je wilt. Deze methode dwingt je om een onderwerp te benaderen vanuit de negatieve ruimte, de ruimte om de figuur. Ook dwingt deze methode je om van groot naar klein te werken. Details kunnen alleen langzaam uit de vlakken naar voren komen. En aangezien details de grootste valkuil vormen voor beginnende tekenaars, is het voor hen vaak beter om vanuit de vlakken te werken.
Het is natuurlijk zo dat deze verschillende methodes vaak gecombineerd worden, maar het is goed om te beseffen hoe wezenlijk verschillend ze zijn.
Vergeef me deze uitweiding. Ik weet niet waarom ik dit allemaal vertel, maar het staat er nu eenmaal, dus ja...

Waarom maak ik een Youtube-serie? Misschien moet ik dat vertellen. Ik wil graag lesgeven en op deze manier zijn mijn lessen voor iedereen gratis toegankelijk. Dat is het eigenlijk. Een youtubeserie zal nooit een alternatief kunnen zijn voor een kunstopleiding, al is het alleen omdat de bovenstaande tekst al te uitgebreid is om in een filmpje te proppen. Maar ik hoop wel dat mijn serie, wanneer die compleet is, een mooie introductie kan zijn in de wondere wereld van de schilderkunst.

maandag 9 mei 2016

Waar vind je hier kunst?

Ons konijn heeft geen hooi meer. Al twee dagen ben ik op zoek naar hooi. Gisteren loop ik helemaal naar de Rue des Archives, maar vind daar slechts een dierenwinkel die alleen voor honden en katten is. Ik loop toevallig ook tegen een galerie in een oude kloostergang aan. Tussen de pilaren hangen foto's waar figuren in zijn getekend. Er wordt muziek gedraaid.
Ik heb deze blog niet getiteld met “Waar vind je hier hooi?”, omdat die vraag een stuk moeilijker te beantwoorden is. In tegenstelling tot dierenwinkels, vind je kunst overal. Er zijn talloze musea, waar ik al aardig wat van heb bezocht, maar ook buiten de musea vind je veel kunst.
Er is natuurlijk de Streetart. De mozaïekkunst van Space Invader, de foto's van Nojnoma die je van elke straathoek schaapachtig aanstaart, maar ook mooier werk, zoals de hoofdjes van Gregos, waarvan er eentje in onze straat hangt.
Andere kunst leeft op straat. Op weg naar Sandriens werk, kom je langs een dakloze kunstenaar. Minstens twintig schilderijen staan tegen een gevel van een gebouw en zijn slaapzakje ligt ernaast. Een Duitse collega van Sandrien heeft een schilderij van hem gekregen. Op haar werk gekomen, zag ze dat het een doorsnede van de geslachtsgemeenschap voorstelde.
Tegen een muur van een sporthal heeft een kunstenaar zijn atelier ingericht. Hij is daar bijna altijd aan het werk. Hij maakt inkttekeningen. In de sporthal zelf is een expositie van kunstenaars uit de Marais. Een van hen maakt modellen uit papier met enkel een schaar. Zijn werk lijkt sterk op dat van Matisse, maar hij knipt het papier zo, dat het nog steeds een geheel vormt. Een andere kunstenaar schildert portretten op doorzichtig linnen. Er bevinden zich in sommige werken wel vijf van zulke portretten achter elkaar en ze lijken het complexe karakter van de mens te verbeelden.
Achter een poort zie ik een grote, bronzen borst. “Laten we hier even kijken”, zeg ik tegen Sandrien. De borst is van Balduccini, van wie Sandrien eerder een duim had gezien in La Defense. “Deze expositie is niet geschikt voor de gevoelige kinderogen.”, staat op een bordje bij de ingang van de galerie. De expositie blijkt voornamelijk te bestaan uit tekeningen van piemels, niet echt iets wat kinderen vreemd is. Er is een vrij pornografische foto van een vrouw die haar benen spreidt, maar niets wereldschokkends. Teleurgesteld verlaten we de galerie weer.
Indrukwekkender is 104 (Centquatre). Sandrien en ik bekijken hier eerst een interessante foto-expositie van verschillende kunstenaars, maar deze ervaring wordt volledig overschaduwd door de volgende ruimte die we betreden. In een grote overdekte zaal, zijn overal groepjes dansers en andere performers aan het oefenen. Er staan spiegels waarin individuele dansers hun eigen bewegingen kunnen volgen, maar de meesten staan in een groepje en laten een voor een zien wat ze kunnen, om vervolgens elkaar aan te moedigen. Een man probeert een golfclub op zijn neus te balanceren om deze vervolgens over zijn arm te laten dansen. Een andere man jongleert met zes ballen. Breakdancers bewegen als tollen over de grond.
Wij liggen de rest van de dag in strandstoelen in de zon te kijken naar een groepje dansers die bewegen als robots. We zijn volmaakt gelukkig. Zelfs als je niet kunt dansen (en ik kan echt niet dansen), kun je niet ongevoelig blijven voor de sfeer in deze ruimte. Het is geen school, maar gewoon een ruimte die vrij toegankelijk is voor iedereen, maar toch is de ruimte gevuld met energie en de wil om van elkaar te leren. Als kunst ergens op z'n plaats is, dan is het hier.
En oh ja, ik heb het hooi gevonden. Het konijn ligt inmiddels languit op een bed van hooi en ziet er volmaakt gelukkig uit.



vrijdag 6 mei 2016

Apen en mensenbaby's

Op een avond komen collega's van Sandrien bij ons op bezoek om bordspelletjes te spelen. Ze zijn net als Sandrien internationale postdocs. Ze komen uit Italië en Griekenland. Als het later op de avond wordt en we meer hebben gedronken, gaan ze vanzelf over op het Italiaans. Een van de collega's, Matteo, is bijzonder gecharmeerd van ons konijn. 
Matteo vertelt dat hij in een apenlab heeft gewerkt. Het straalt van hem af dat dat geen fijne ervaring was. “De meeste tijd zijn ze daar bezig om te zorgen dat de apen niet bang zijn.” Tijdens de experimenten worden de hoofden van de apen namelijk vastgezet, zodat er een elektrode direct in de hersenen kan worden geplaatst. De reden dat experimenten met apen niet op dezelfde manier worden gedaan als die met mensen is, volgens Matteo, omdat je dan meer ruis in de data hebt. “Maar een bange aap leert veel minder snel, dus het is maar de vraag of deze manier beter is. Het is maar wat je prioriteiten zijn. In het apenlab is de prioriteit om de data zo zuiver mogelijk te houden. Ik kreeg er een baan aangeboden, maar ik hoefde daar niet over na te denken. Daar wil ik niet weer werken.”
Als ik die week Sandriens werk bezoek, om daar Game of Thrones te kijken, verwacht ik dezelfde collega's terug te zien. Dit is niet het geval. Ik kom in een donker vergaderzaaltje, waar op groot scherm net een man van een brug wordt gegooid. “Did he feed the baby to the dogs?”, vraagt Sandrien. “Yes”, antwoordt een collega. “Would you like a beer?” Speciaal voor mij wordt de aflevering weer teruggezet naar het begin en vervolgens kijken we ook nog de eerste aflevering van het nieuwe seizoen.
Als iedereen behalve ik de afleveringen twee keer heeft gezien,  is het al laat en het grote gebouw is stil en verlaten. Het voelt een beetje alsof we inbreken als we in het donker naar Sandriens kantoor lopen. “Ruik je de muizen?”, vraagt ze. De stank van het muizenlab komt zeker boven de ziekenhuislucht uit. Op een andere verdieping laat Sandrien het babylab zien. Ik word meteen vrolijk als ik van de steriele, kale zalen in het babylab kom. Bij lab had ik niet gedacht aan een ruimte gevuld met vrolijke tekeningen en knuffels. De testruimte is wel een kaal hokje, maar tijdens de experimenten kunnen de mensenbaby's gewoon bij hun moeder op schoot zitten, al moet die een koptelefoon dragen met muziek om te voorkomen dat ze haar kind onbewust stuurt. Na het experiment krijgen de ouders een diploma voor hun baby.
Met Hemelvaart, een vakantiedag voor de Fransen, is het gebouw gesloten. Wij gaan naar Parc de Sceaux, een enorm park dat is opgericht door Colbert, de grote man onder Lodewijk XIV. Het park is typisch Frans: alle bomen zijn rechthoekig en alle struiken kegelvormig. De uitgestrekt heuvels met grasveldjes en fonteintjes blijken vooral populair onder jonge gezinnetjes en terwijl wij in de zon verbranden, kijken we hoe peuters struikelen over hun eigen voeten. Sandrien ziet er gelukkig uit. De spanning die door haar werk, of door de grote stad, in haar gezicht was gaan wonen, is even verdwenen. Ik kan de netheid en rechtlijnigheid van dit park juist niet goed verdragen en nadat we alle vierkante kastanjebomen hebben gefotografeerd, moet ik weg.
We komen echter van de regen in drup. Het dorp Sceaux blijkt nog schoner en rechter dan het park. Het is echt een dorp voor pensionado's en jonge gezinnetjes. Zonder dat je het doorhebt, loop je weer een of ander park in of sta je in een keurig rechte rij voor een ijscokraam. Er zijn ook veel chocolatiers. In een van de etalages trekt een vrij wanordelijke hoop chocolade mijn aandacht. Het is een levensgrote Oerang Oetan, gebeeldhouwd uit chocola.










donderdag 5 mei 2016

Blabla of bla?

Terwijl ik dit schrijf, zie ik bloeiende koolzaadvelden aan mij voorbijtrekken en luister ik naar de chauffeur die een geanimeerd telefoongesprek voert. “Cinq, quarante euro? C’est enorme ca!” Aboubacar heet hij. Hij rijdt van Nederland naar Parijs. Zijn vrouw is Nederlands, maar hij spreekt alleen Frans soms vermengd met een taal die ik niet kan thuisbrengen. Via de website Blablacar konden Sandrien en ik een stoel in zijn auto reserveren, "covoiturage". We moesten aangeven hoeveel we praten in de auto. Ben je bla, blabla, of blablabla? Er rijdt nog een jongen mee die geen Frans, Engels of Nederlands spreekt. Hij is duidelijk bla. Deze manier van reizen is veel goedkoper dan de trein en meestal ook veel sneller dan de bus.

Mijn eerste reis met Blablacar gaat niet zo snel. Ik rijd mee met Bijay, een Hindoestaanse man die een groot deel van zijn leven op Mauritius heeft doorgebracht, maar nu al jaren in Rotterdam woont en een echte Rotterdammer is geworden. “Maar ik zeg niet tegen m’n vrienden dat ik fan van Ajax ben.” Bijay heeft niet veel te zoeken in Parijs. Hij heeft een kleine bus van Connexxion gekocht. “Ik laat de stickers er mooi op, want zo lopen de parkeerwachters aan mijn auto voorbij.” In die bus rijdt hij op en neer om zo wat geld te verdienen. Het doet me heel sterk denken aan Tadzjikistan, hoe hij zijn bestaan bij elkaar scharrelt. Daar was elke autobezitter tegelijk taxichauffeur, want waarom ook niet?

Bijay is een echte sjacheraar. Zo heeft hij ook een invalidekaart, omdat zijn auto in principe invaliden zou kunnen vervoeren. Met deze kaart kan hij gratis parkeren in Parijs en goedkoper rijden op de Péage. Af en toe roept hij mijn naam en begint dan ergens over te praten. “Hé Gaaike, Ik heb een bouwbedrijf gehad weet je, we deden alles, van de beste architecten hè, maar op een gegeven moment had ik daar genoeg mee verdiend.” Ik vraag me af of dit het hele verhaal is. “Ik ben ook DJ geweest hè: Bijay de Deejay. En nu wil ik een kroeg in Parijs. Met goedkoop bier weet je, voor de studenten: 2,50/3 euro.” Bijay wordt helemaal gelukkig als hij over zijn zoon praat. “Ik breng hem elk weekend naar kickboxen. En je moet hem niet boos maken hoor. Ook familie hè. Als je aan zijn familie zit, dan pakt hij je.” Ik vraag hem hoe oud zijn zoon is. “Hij is net elf geworden. Ik heb zo’n groot feest gegeven. Ik heb de hele week op en neer gereden en toen een groot feest gegeven, met palmbomen en alles, helemaal in de stijl van Mauritius. Ze hadden nog nooit zoiets gezien.”

Een van de medepassagiers is een Franse man, die geen Engels spreekt. Bijay maakt zich zorgen dat de man niet op zijn bestemming komt en ik moet de treinen uitzoeken, vanaf Breda, vanaf Rotterdam. Uiteindelijk besluit hij hem af te zetten op een kleiner station bij Breda. Ik zeg tegen Bijay dat er vanaf dit station vandaag geen treinen rijden. Hij loopt naar de automaat om een kaartje te kopen. “Je kunt alleen met munten kopen, wat idioot!” Ik stel voor voor de Fransman te pinnen, maar Bijay is al euromunten aan het verzamelen. Na met alle passagiers te hebben geruild, totdat niemand meer precies weet hoeveel geld hij bij zich had, heeft hij het kaartje gekocht. Als Bijay de Fransman naar het juiste spoor wil brengen, ontdekt hij dat er geen treinen rijden. “Ok, dan gaan we naar Breda!”, zegt hij weer even vastberaden.

In Breda kunnen we de Fransman eindelijk op de trein zetten en Bijay zegt: “Kijk, zo ben ik nou. Ik laat mensen er niet gewoon uit hè. Ik rijd ze tot op de stoep en help ze uitladen.” Het is inmiddels drie uur later dan ik dacht aan te komen, maar het is goed. Ik heb een leuke dag gehad.

woensdag 4 mei 2016

Wie Schade!

When one comes out of this colossal structure, the Louvre, one walks directly across the Seine and is captivated by an enchanting view, bathed in golden or blue mist. All along the quai there are row upon long row of secondhand bookstalls, where one can search and rummage as one wants to. An acrobat performs on the sidewalk. A circle of spectators who do not take their eyes from him. Wherever one goes, whatever one does, there are things to see and learn.
Als ik richting het Louvre over de Pont des Arts loop is er een vrolijk bandje aan het spelen. Na het laatste nummer, roept de muzikant: “Je mag ons ook in bier betalen.” Er ligt geen mist over de Seine, eerder is de rivier wild en onrustig. De boekwinkeltjes zijn zo laat op de avond gesloten. Mijn ervaring verschilt van die van Paula Modersohn-Becker, toch loop ik even samen met haar door Parijs.
Paula komt als jonge, Duitse kunstenares aan het begin van de 20e eeuw, de eerste dag van de 20e eeuw om precies te zijn, na een 17 uur durende reis hier aan. Ze is vol goede moed naar het centrum van de moderne kunstwereld gekomen om een betere kunstenaar te worden, maar haar eerste indrukken zijn niet geheel positief:
It's filthy here, very filthy – an inward filth, way down deep inside. Sometimes it makes me shudder. It seems to me as if I needed more strength than I have to live here, a brutal strength.
Er zijn aspecten van het Parijse leven in honderd jaar onveranderlijk gebleven.
But I feel that only sometimes. At other times, I feel blissfully clear and serene. I can feel a new world arising in me.
De nieuwe wereld die in haar groeit en op haar schilderijen tot leven komt, heeft een brute kracht. In het MAM (Musée d'Art Moderne) bezoek ik een tentoonstelling van haar werk. Het valt me op dat hoewel haar schilderijen zo krachtig zijn, ze ook allemaal op een bepaalde manier onvoltooid zijn. Onvoltooid is niet het goede woord, omdat er niet iets ontbreekt. Ze zijn niet afgewerkt, alsof het gaat om studiewerk, maar dit draagt juist bij aan de intensiteit van het werk. Zoals ze schrijft: The intensity with wich a subject is grasped (...), that is what makes for beauty in art. Mijn eigen schilderijen zijn vaak ook onvoltooid, of onafgewerkt en ik vind het interessant om te zien dat dat een kwaliteit kan zijn. Op schilderkunstig vlak voel ik me zeer verwant aan Paula. Ik streef in mijn werk ook naar the utmost simplicity united with the most intimate power of observation. Haar werk spreekt me zelfs meer aan dan dat van haar grote voorbeeld, Cézanne. Daarentegen is het thema van haar werk, voor mij ontoegankelijk, al is het alleen omdat ik een man ben.
De kunst van Paula Modersohn-Becker draagt een groot dilemma in zich. Haar belangrijkste thema is het moederschap en juist door haar leven als kunstenaar kon ze geen moeder worden. Dit heeft te maken met haar man die niet zo avontuurlijk is en liever in de veilige kunstenaarscommune in Worpswede wil blijven. Funny, schrijft Paula: from the very beginning of marriage it's we women who are put to the test. All you men are permitted to stay simply the way you are. Well, I don't really take that amiss, because I do like you all so very much. En ze ondertekent die brief aan haar man met Your little wife.
Maar ze zoekt zelf in haar leven ook naar eenzaamheid en vrijheid. In haar eentje en in alle vrijheid in Parijs ontwikkelt Paula haar eigen stijl, waardoor ze schilderijen als 'Geknielde moeder met kind' kan maken, maar door diezelfde vrijheid blijft ze van kinderen verstoken. Het einde van haar leven had een roman ongeloofwaardig gemaakt, maar het echte leven is altijd weer vreemder dan fictie. Ze besluit toch naar Duitsland terug te keren, om een kind te krijgen, maar veertien dagen nadat ze bevallen is van haar dochter, Mathilde, sterft ze. Volgens de bronnen zou ze nog twee woorden hebben uitgesproken: Wie Schade!

maandag 2 mei 2016

Retour vers le futur

Meer dan 360.000 potelets bepalen het Parijse straatbeeld. Misschien denk je dat mijn blog weer over duiven gaat en nee, het zijn ook geen scharrelkippen (kip=poulet). Potelets zijn paaltjes en ze zijn overal. Soms vind je er wel drie naast elkaar en ze vormen de vreemdste patronen, alsof het bloemen zijn die op willekeurige plekken uit het beton omhoogschieten. Alles om maar te voorkomen dat de auto's het trottoir oprijden. Wie me niet gelooft, verwijs ik naar de volgende blog: http://benlem2.canalblog.com/
Begrijp me goed, ik hou van de potelets. Een straat oversteken, zelfs als het voetgangerslicht op groen staat, is hier niet zonder risico en ik haal opgelucht adem als ik weer veilig omringd word door mijn metalen vrienden. Toch maken ze het leven van de Parijzenaars niet heel gemakkelijk. Als een winkel bevoorraad moet worden, kan er bijvoorbeeld niet even een vrachtwagen op de stoep gaan staan. Dan zie je mannen met steekwagens af- en aanlopen en waan je je even in het verleden.
Aan de andere kant word je aan alle kanten ingehaald door mensen op steps, skates en skateboards. Skaten is niet voorbehouden aan rebelse jongeren. Omdat de auto in Parijs zo onpraktisch is, nemen deze vervoermiddelen het over. Rond het beursgebouw zie je bankiers op de step en gisteren flitste een man in vol ornaat met hoge snelheid voorbij. Deze man stond kaarsrecht op een wiel, alleen maar een wiel en hij schoot met zeker 15 km/u over de stoep.
Ik moest denken aan Back to the Future, aan het Hoverboard waarmee Marty door de toekomst vliegt en dezelfde dag vind ik in de Rue des Archives een winkel die Hoverboards verkoopt. De winkel verkoopt allerlei futuristische snufjes, zoals koptelefoons met luidsprekers aan beide kanten, zodat iedereen van je muziek kan meegenieten, 3d-pennen waarmee je 3-dimensionale tekeningen kunt maken, gewoon in de lucht en uiteraard ook verschillende elektronische sigaretten. Het Hoverboard ziet eruit als een skateboard, maar dan met één gemotoriseerd wiel in het midden. Vooruit, hij zweeft niet echt, maar het is genoeg om je even in de toekomst te wanen.


zondag 1 mei 2016

Uit het nest gevallen

Er zijn veel daklozen in Parijs. De meeste liggen in een slaapzak op de roosters waar de warme lucht van de metro doorheen komt, enkele hebben een tentje. Liggende daklozen vind je op elk moment van de dag, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat. Je kunt de liggende daklozen het makkelijkst negeren, al moet je wel uitkijken dat je hun plastic bekertjes met muntgeld niet omschopt. Eén dakloze heeft zijn bekertje aan een vishengel hangen. Hij zit op een krukje naast zijn tent met de hengel uitgeworpen.
Er zijn ook daklozen die over straat zwalken. Ze lopen niet gewoon, ze zwalken, omdat ze dronken zijn en omdat ze aan het sterven zijn. Hen kun je niet negeren. Je kunt de straat oversteken, of rechtsomkeert maken als ze aan komen schuifelen, maar dan nog zie je hen vanuit je ooghoeken gebogen staan kotsen. Hun kleren zijn gescheurd, soms hebben ze haast niets meer aan en de kleren die ze hebben zitten vol vieze vlekken.
Ben ik gevoelloos aan het worden als ik niet meer opkijk van een dakloos kind. Ik word beter in het negeren. Ik negeer hen, omdat ik wanneer ik dat niet doe, ik me alleen maar machteloos voel. Toch laat het me niet echt los. Parijs is een fantastisch mooie stad, maar voor heel veel mensen is het de hel.

Als ik 's ochtends vroeg naar de winkel ga, vind ik voor onze deur naar de binnenplaats een kuiken. Het is een duif en hij zit heel stil op de stenen. Hij is uit het nest gevallen. Zijn vleugels zijn nog niet genoeg gegroeid om te kunnen vliegen. Als ik mijn handen naar hem uitstrek om hem op te pakken, verroert hij zich niet en dat verbaast me zo dat ik hem maar niet oppak. Met Sandrien maak ik een papje in een konijnenvoerbakje en dit brengen we naar het kuiken. Hij loopt naar het bakje maar eet er niet uit. We overwegen even om hem mee naar binnen te nemen, maar doen dit toch maar niet. Later op de dag wanneer ik het vuilnis wegbreng zie ik een vader en zoon bij het kuiken bezig. “C'est triste.”, zegt de vader tegen me. Ze maken een nestje met kranten erin en zetten het kuiken en de voerbak hierin. Als ze weg zijn, pak ik het kuiken op en duw zijn snavel in het bakje. Hij begint meteen gulzig te eten. Even piept hij als ik hem terugzet, maar dan gaat hij weer rustig zitten. Die dag ga ik niet meer naar het kuiken, omdat we collega's van Sandrien over de vloer hebben en tot laat Munchkin spelen.
Als ik de volgende dag mijn kater heb uitgeslapen en naar buiten ga, is van het kuiken geen spoor meer te bekennen. Het doosje staat er nog met daarin het bakje, maar het kuiken is verdwenen.
De kleine dakloze duif was maar een duif, maar toen ik hem vond, was mijn gevoel van machteloosheid toch even verdwenen en even dacht ik dat ik hem had gered.

zaterdag 30 april 2016

Le Grand Large

Als we de grootste bioscoopzaal van Europa binnenlopen, zijn we toch licht teleurgesteld. De zaal is inderdaad heel erg groot. We zitten op het balkon en zien aan weerszijden kitscherige huisjes in Italiaanse stijl, inclusief replica's van klassieke beelden, boven ons een sterrenhemel, en heel in de verte een bioscoopscherm onder een lichtgevende boog. Het is wel een groot scherm, maar van deze afstand niet meer. Als we al een beetje beginnen te morren, komt echter een tweede scherm uit het plafond naar beneden. Deze is veel dichterbij en is nog veel groter. Het begint ons te duizelen als een driedimensionale kometenregen door ons heen vliegt om plaats te maken voor een enorme explosie waar op zijn beurt weer rotsblokken uit tevoorschijn komen die als ze naar ons toedraaien transformeren in massieve letters:

LE GRAND LARGE

Als iets zo groot is, kun je het kennelijk niet genoeg benadrukken. Zo heb je ook Le Grand Palais, een museum van 77000m2, maar er is ook Le Petit Palais. Voornamelijk omdat de laatste gratis is, verkoos ik het om deze te bezoeken. Le Petit Palais mag dan klein heten, maar het is een enorm gebouw. De hal is echt gigantisch en de hoge plafonds zijn prachtig beschilderd. Midden in het gebouw bevindt zich een binnenplaats met een tuin en een fontein.
In het kleine paleis hangen ook erg grote schilderijen. Als je hier te lang naar kijkt, gaat het je duizelen alsof je met een 3d-brilletje in de Rex zit. Voor een schilderij dat de markt afbeeldt (Les Halles van Léon Lhermitte, 4x6m) geldt dit in het bijzonder. Door de compositiebogen vliegen je ogen in cirkels over het werk, tot je steil achterover valt. Ik loop dan ook maar snel door.
Ergens achterin het museum vind ik een vierluik, dat haast probeert te verdwijnen in de muur (Figuren in een interieur van Vuillard). Het is ook groot, maar bijzonder subtiel in kleur en de toets vormt een decoratief patroon. Als je er langer naar kijkt, komt de scène langzaam uit het patroon naar voren. Ik lees nu op internet dat het schilderij oorspronkelijk tegen een behang hing met hetzelfde patroon, waardoor het schilderij perfect gecamoufleerd was.
De subtiliteit van dit werk maakt het weliswaar bijna onzichtbaar, toch weet het me dieper te raken dan het vuurwerk en de knallen van Le Grand Large. Maar voor beide is plaats in mijn hart.

zondag 17 april 2016

Gasmaskers en mitrailleurs

Met vier zwaar bewapende soldaten die over de volle breedte van de weg voor ons lopen, voelen Sandrien en ik ons niet zo prettig. Niet alleen omdat de soldaten niet zo snel lopen, want ja, je gaat ze toch maar niet voorbij, ook omdat we even geleden nog naar vogeltjes keken die een nestje bouwden in een dakgoot en even vergeten waren dat de wereld duister en eng is.
In de Egyptische afdeling van het Louvre werden we diezelfde dag geconfronteerd met mummies van vogels en katten en een incidentele krokodil, maar er is toch iets in de omgang van de Egyptenaren met de dood, waardoor je alleen maar vrolijk kunt worden. Misschien komt het door het veelkleurige glas waarmee ze hun beelden inleggen, of de ongelooflijke schoonheid van de beelden, of door het feit dat de farao's zelf je vanaf hun sarcofaag toelachen.
We blijven tot sluitingstijd, tot de suppoosten ons zelfs in het Engels vragen op te krassen. Op straat horen we de sirenes alweer dichterbij komen. De weg wordt afgezet. We horen een zacht gebrom dat steeds luider en luider en al snel oorverdovend wordt. Een auto met daarop een vrouw met een gasmasker en een diskjockey blijkt een optocht van honderden motoren aan te kondigen. Het is een demonstratie onder andere tegen een wet die vervuilende voertuigen uit de stad moet weren. Vanuit de verte zie ik nog dikke rookwolken boven de straat hangen. Als er niet genoeg argumenten voor de wet waren, dan zijn ze er nu. Ik moet nog eens denken aan de prachtig gekleurde Egyptische beelden en dan aan de zwartgeblakerde beelden die de Parijse paleizen tooien.
Overmand door soortgelijke melancholische gedachten drinken we in een cafeetje een biertje. Er zit een vrouw te zuigen op een elektrische sigaret, te vapen. Dat is zeer populair in Parijs. Steek dan een sigaret op, denk ik bij mezelf. Dit ziet er niet uit.

vrijdag 15 april 2016

Koningen, sterren en tippelaarsters

Sinds woensdag woon ik dus in Parijs. Ik woon met Sandrien, mijn vriendin, aan de Boulevard de Bonne Nouvelle in het 2e arrondissement. Dit is dichtbij twee poorten, een soort triomfbogen, opgedragen aan Lodewijk de Grote. Een is veel groter dan de ander en toen ik zag dat op de eerste Ludovico Magno stond, verwachtte ik even dat op zijn kleine broertje Ludovico Mini zou staan. Dit was niet het geval. Onze straat heeft veel theaters en een gigantische bioscoop,  Rex. Rex heeft de grootste bioscoopzaal van Europa. Om zijn omvang meer te benadrukken staat de naam Rex nog eens in grote letters op de gevel.
Als ik naar de supermarkt loop, zie ik een hoop mensen tegen de gevel geplakt. Ze houden hun mobieltje zo hoog mogelijk in de lucht om daarin een glimp op te vangen van een acteur. Scarlett Johansson is een van de sterren die aanwezig zijn voor de première van Captain America. Als ik met mijn boodschappentasje doorloop, hoor ik nog af en toe gegil als een nieuwe ster is gearriveerd.
Wat mij zelf helemaal niet was opgevallen, waar ik zo overheen keek, is dat de Boulevard de Bonne Nouvelle ook ander vermaak biedt. De Boulevard de Bonne Nouvelle heeft namelijk druk verkeer van tippelaarsters. Pas nu Sandrien me erop gewezen heeft, zie ik ineens overal vrouwen quasiverveeld verdiept in mobieltjes tegen gevels aan leunen. Het zijn voornamelijk Aziatische vrouwen die hun leeftijd niet kunnen bedekken onder blonde pruiken en visnet panties en zoals Sandrien zei toen we langs een dame met een rokje tot boven de heupen liepen: Sommige zijn makkelijker te herkennen dan andere.
Ik had niets herkend, misschien omdat ik nog als een toerist door deze stad loop en onder de indruk ben van de Rexen, de Ludovici Magni, van de sterren. In de komende maanden zal ik anders naar deze stad gaan kijken en zal me misschien meer opvallen, waar ik eerst blind voor was, al is het waarschijnlijk nadat Sandrien me er eerst op heeft gewezen.