vrijdag 29 mei 2015

Terugtocht

In een landrover rij ik vanaf Khorog naar Dushanbe. De reis van 600km duurt ongeveer 20 uur. De volgende dag zou ik 6000km in bijna de helft van de tijd afleggen.
De auto is niet zo goed. Als de olie ververst moet worden, staan twee mannen aan de motorkap te trekken om hem open te krijgen. Dit lukt pas bij een volgende stop. Ik word er een beetje zenuwachtig van, maar omdat we zo langzaam rijden, maak ik me niet al te druk. Ik heb deze keer weinig contact met de andere reizigers, omdat geen van hen Engels spreekt. De jonge man die eerder met de motorkap hielp, blijkt een opgewonden standje. Als we stoppen bij een van de vele douaneposten, krijgt hij meteen ruzie met de agent. Hij moet mee en als hij weer in de auto stapt, voert hij nog een lange discussie met de chauffeur (ongetwijfeld over de omkoopsom) die alleen maar schouderophalend verzucht: “Protocol.”
Vlak voor de autoradio bengelt een apparaat waar de chauffeur zijn USB-stick insteekt. Het apparaat zendt een radiosignaal uit met de muziek op de stick, dat vervolgens wordt opgevangen door de autoradio. Het is een voorbeeld van de vele wonderlijke technische snufjes die uit China komen. Halverwege houdt het apparaat er mee op, wat de chauffeur bijzonder vervelend vindt. Ik sta een half uur doodsangsten uit, omdat hij nauwelijks nog naar de weg kijkt en verwoede pogingen doet om het systeem weer aan de praat te krijgen. Het modderpad voert langs diepe ravijnen en ik haal opgelucht adem als de radio plotseling weer begint te werken.
Op de heenweg was alles nieuw en zat ik gedurende de hele rit naar buiten te kijken. Nu ben ik gewend aan de felgekleurde kleding van de vrouwen die de akkers bewerken, de knalrode wangen van de meisjes die emmers water rondsjouwen, de dieren, honden, koeien, katten etc. die langs of op de weg liggen te slapen, waarbij het lijkt alsof ze dood zijn, de koeien, schapen en ezels die over de weg sjokken en die we al slalommend passeren en de bergen die steeds veranderen en steeds een ander landschap op hun rug dragen, van de ruwe barsten in de kale rots, als rimpels in de huid, van water dat uit de kieren sijpelt en de rotsen donker kleurt, waardoor het lijkt alsof ze bloeden, tot het zachte, donzige velletje van uitgestrekte velden die door schapen en geiten wordt bijgeknipt. Op de terugweg kijk ik nog steeds de hele tijd naar buiten en blijf ik nieuwe schoonheid ontdekken, maar nu met het besef dat dit een afscheid is.
De auto stopt en voor ons zie ik een vrachtwagen met twee karren en een auto op de weg staan. De vrachtwagen is waarschijnlijk door rotsblokken op de weg gaan scharen juist op het moment dat de auto hem inhaalde. De auto staat nu vast tussen de rotsen in de berm. Met hulp van het opgewonden standje komt de auto los. Inmiddels zijn wat soldaten, die we eerder gepasseerd zijn, erbij gekomen. We kunnen de vrachtwagen passeren nu de andere auto weg is en we laten de soldaten achter met het karwei om de rotsblokken voor de vrachtwagen te verwijderen.
Als het donker wordt, blijkt dat de dashboardverlichting kapot is. De chauffeur licht het dashboard bij met zijn mobieltje. Het is al tien uur en we hebben nog geen avondeten gehad. We zijn behoorlijk vertraagd, niet zozeer door het ongeluk, maar door het zeer trage tempo waarmee we over de bergpassen rijden. We stoppen een uur later eindelijk bij een cafeetje. Het eten is erg slecht en het opgewonden standje krijgt ruzie met de kok. Deze komt aan de tafel en begint fel te discussiĆ«ren, waarbij hij dan weer naar de chauffeur, dan weer naar het opgewonden standje wijst, waarschijnlijk iets zeggend als: Hij vindt het altijd lekker en jij bent de enige die klaagt.”
Ik val in slaap in de auto en word rond drie uur wakker. We rijden door Dushanbe. Een politieauto komt naast ons rijden en gebaart dat we moeten stoppen. De chauffeur moet uitstappen en de agent schrijft een boete uit. Het opgewonden standje is ook uitgestapt en staat te schreeuwen tegen de andere agent. Ze staan met hun borst tegen elkaar en de agent duwt hem zo naar achteren. Even lijkt het alsof ze gaan vechten. Dan stopt een tweede politieauto naast ons. De agent die uitstapt is het niet eens met de boete. Hij verscheurt hem en we kunnen verder.
We stoppen in een volgend straatje, waar we moeten overstappen op andere auto's. Waarschijnlijk was de boete voor illegaal taxivervoer. Het beleid jegens taxi's in Dushanbe is vrij onduidelijk. Als je je hand uitsteekt op een willekeurige straat, zal elke willekeurige auto voor je stoppen en kun je meerijden. Er rijden ook auto's met X'en aan de achteruitkijkspiegel. Deze auto's lijken daarmee officiƫle taxi's, maar de X zegt niets over de staat van het voertuig of de leeftijd van de chauffeur. Misschien zegt het nog het meest over de prijs van de rit, die voor gewone auto's 3 somoni is en voor minibussen 1,5. Minibussen en dus vermoedelijk ook landrovers zijn verboden in het centrum.
Ik moet in een buitenwijk zijn. De auto waarin ik ben overgestapt wordt bestuurd door een Pamiri. Hij spreekt net als de vorige chauffeur geen woord Engels, maar hij probeert een gesprek met me te voeren. “Amerika, Washington. Hollande...” “Amsterdam”, zeg ik. “Ah, Amsterdam!” “Ik vraag of hij er geweest is.” Hij schudt nee, tekent met zijn hand in de lucht en zegt: “Carta.” Hij noemt een aantal plaatsen in Pamir op en ik zeg of ik er geweest ben. Het is een prettig gesprek. Hij zet me af voor de deur.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen