zondag 9 november 2014

De controverse over Marlene Dumas en hoe ik erover denk(2)

Alweer een tijd geleden ben ik naar het Stedelijk Museum geweest om de werken van Marlene Dumas te bekijken. Ik ben nog nooit zo kort in een museum geweest.
Ik weet niet of deze opmerking mijn waardering van haar werk reflecteert, maar ik vraag me wel af hoe het komt dat haar werk me zo’n naar gevoel gaf. Het had zeker niets te maken met haar onderwerpskeuze. Ik heb een voorkeur voor zware, duistere kunst. Ik ben bijvoorbeeld een groot liefhebber van het werk van Francis Bacon. Wat was dan de reden dat ik het gebouw uitvluchtte?
De eerste werken die ik tegenkwam, waren portretten in aquarel die naast en boven elkaar hingen en zo een muur van gezichten vormden. In eerste instantie ketste mijn blik hier op af. Na wat langer naar de afzonderlijke portretten te kijken, begonnen sommige gezichten me te interesseren. Sommige hadden een sterk expressief karakter, maar naast deze krachtige koppen, hingen figuren die me volledig koud lieten. Doordat deze werken zo dicht naast elkaar hingen, kon ik de werken niet afzonderlijk waarderen, mijn blik bleef verspringen, maar als geheel kon ik er ook weinig van maken. Ik herinnerde me gelezen te hebben welke redenen Dumas had voor deze wijze van presenteren, maar de vraag waarom ze dat gedaan had, rees alleen omdat het voor mij onmogelijk was op deze manier het werk te bekijken, zonder mijn concentratie te verliezen.
In een volgende zaal hingen werken die Dumas had geschilderd in de periode na het overlijden van haar moeder. De schilderijen hadden als thema huilen, of de traan. Een van deze werken vond ik erg mooi, een aquarel die zo waterig was geschilderd dat het hele werk leek te huilen. In een andere zaal werd mijn blik een ander aquarel ingezogen.
In bijna elke zaal hing minstens een werk dat ik heel erg mooi vond. Meestal aquarellen, die weinig aan de vorm gelegen lieten, maar in compositie en verfbehandeling zo sterk waren, dat dat geen enkel probleem was. Ik vond steeds één schilderij heel erg mooi en de overige juist absoluut niet. Ik dacht aan dat ik in mijn vorige blog had geschreven dat goede kunstenaars ook slecht werk maken, dat dat nu eenmaal onvermijdelijk is. De vraag die nu bij me opkwam, was of ik de mooie schilderijen nu minder moest waarderen omdat er slecht werk naast hing. Of zag ik de kwaliteit niet van die slechte werken? Misschien moet ik eerst zeggen waarom ik bepaalde werken slecht vond.
Al het werk van Dumas is heel zwak in vorm. Deze term “vormbegrip” die mijn docenten op de Klassieke Academie veel gebruikten, vond ik vaak nogal vaag. Gedurende mijn tijd aan de academie begon ik beter te begrijpen wat ze bedoelden, al heb ik nog geen betere term gevonden om het te omschrijven. Ik denk dat ik het het beste kan uitleggen, door te zeggen dat ik kan zien dat Marlene Dumas nog nooit naar de natuur heeft gewerkt. Ze heeft erg naïeve vormen, wat niet per se verkeerd is.
In veel van haar werk speelt het realisme echter wel een rol. Neem dit werk, getiteld "The wall":
Dit schilderij is qua kleur, vorm, tonaliteit en compositie voor mij oninteressant. De figuren zijn zelfs wat knullig, en dit wordt niet gecompenseerd door een andere kwaliteit. Juist omdat de figuren er wat realistisch op zijn gezet, worden de naïeve vormen voor mij een bezwaar.
Ik vind het echt slecht.
Hier kun je natuurlijk tegenin brengen dat men het werk van avant-gardistische schilders pas later kan waarderen, omdat deze kunstenaars hun tijd vooruit zijn. Ik denk zelf dat dit idee, dat kunstenaars een soort supermensen zijn die bovendien kunnen tijdreizen, niet klopt.
Mogelijk is er nog een andere reden voor het grote verschil in kwaliteit van het werk van Dumas. Uit de overzichtstentoonstelling spreekt een enorme vrijheid. Die vrijheid spreekt mij zeer aan. Het lijkt alsof Dumas heel impulsief werkt.
Tom Hageman leerde me, toen we op de Klassieke Academie met de rietpen werkten, dat ik ervan uit moest gaan dat negen van de tien werken zouden mislukken. Met de rietpen moet je snel werken en gebruik maken van het toeval. Dit leidt onvermijdelijk tot veel mislukte tekeningen. Zolang je de goede er maar uit weet te selecteren, is dit geen probleem.
Het probleem met Marlene Dumas was misschien wel, dat het lijkt alsof ze geen selectie heeft gemaakt. Ik had het gevoel dat ik elk werk van haar te zien kreeg, inclusief elke mislukte krabbel.

Misschien was dat de reden dat ik het museum verwisselde voor een cafeetje. Of misschien is kunst gewoon niet voor leken als ik.

zaterdag 8 november 2014

De controverse over Marlene Dumas en hoe ik erover denk(1)

Alweer een tijd geleden schreef Sander van Walsum een stuk in de Volkskrant waarin hij beweerde dat Marlene Dumas een overschatte schilder is. Dit stuk deed heel wat stof opwaaien. Joost Zwagerman reageerde. Joep van Lieshout zei dat kunst hoogontwikkeld is en niet voor leken als Sander van Walsum. En de directeur van de Klassieke Academie, Tom Hageman, schreef over de ontwikkeling van kunst in samenhang met de politiek. Zijn hoofdgedachte was dat kunst en politiek geen gescheiden gebieden zijn en dat dit niet tot betere kunst leidt. Er zijn volgens hem wel criteria die voor alle kunst gelden, namelijk compositie, kleur, vorm en tonaliteit.
Al deze commotie heeft me bijzonder geïnteresseerd gemaakt in het werk van Marlene Dumas en ik ben van plan zeer binnenkort de expositie in het Stedelijk museum te bezoeken. Het leek me een leuk idee om een blog te schrijven voordat ik de schilderijen in het echt zie en een erna.
Dus waar vind ik mijzelf in de discussie?
Ik ben het absoluut niet met Joep van Lieshout eens dat kunst alleen door een kleine groep ingewijden begrepen kan worden. Ik denk wel dat mensen soms moeite moeten doen om een kunstwerk op de juiste manier te ervaren en moeite betekent hier lange tijd naar een schilderij kijken. Als mensen die moeite nemen, zullen ze merken dat het allemaal niet zo ingewikkeld is.
Ik denk net als Tom Hageman dat voor alle beeldende kunst de criteria gelden, waarvan compositie naar mijn idee verreweg het belangrijkst is. Wanneer we een schilderij mooi vinden, komt dat door de vorm niet door de inhoud. Omdat het moeilijk is om onder woorden te brengen waarom het ene schilderij mooier is dan het andere, proberen mensen dat vaak te verklaren met de gekwelde ziel van de kunstenaar, of het wereldbeeld van de kunstenaar. Het begrijpen van een schilderij vindt echter op een onbewust niveau plaats.
Tom Hageman beweerde in zijn stuk ook dat door Hitler en Stalin de figuratie in de beeldende kunst voor lange tijd uit de mode is geraakt. Ik denk dat hij hierin deels gelijk heeft. Voor de Eerste Wereldoorlog was er al een ontwikkeling naar de abstractie, die vervolgens aan populariteit won, omdat het futurisme kunstenaars het instrument gaf om aan de ene kant de technologische vooruitgang en aan de andere kant de verschrikkingen van de oorlog uit te beelden. De Tweede Wereldoorlog leert dat mensen die de schoonheid van kunst kunnen zien, die ontroerd raken door Mozart, tegelijk instaat zijn tot verschrikkelijke dingen (zie de filosofie van George Steiner, die zelf op een buitengewoon irritante manier beschaafd is), maar het leert ook dat mensen instaat zijn de verschrikkelijkste dingen in kunst en dus schoonheid te uiten.
De schilderijen van Marlene Dumas, voorzover ik die in google-afbeeldingen heb bekeken, lijken over dergelijke dilemma’s in de kunst te gaan. Dat is niet een reden waarom haar werk geweldig is, maar het kan ook geen diskwalificatie zijn. Politiek en kunst zijn misschien niet gescheiden. Dat de kunst hier beter of slechter van zou worden, geloof ik niet. Het maakt de kunst hooguit moeilijker te waarderen. Niet alleen de Klassieke waarden komen terug in de kunst, men kan tegenwoordig de sociaal realistische kunst ook weer waarderen.
Ten slotte bestaat er het idee dat geniale kunstenaars geen slechte schilderijen kunnen produceren. Ik heb van goede kunstenaars gehoord dat ze sommige werken van Dumas niet zo sterk vonden (Dumas zei dit zelf in Collegetour), maar datzelfde heb ik van goede kunstenaars over Picasso gehoord. Genialiteit is naar mijn idee een mythe en als Van Walsum het oprechte motief had om het kunstenaarschap te demystificeren, had ik er geen moeite mee gehad, maar dan had zijn stuk niet een aanval op een enkele kunstenaar moeten zijn. Net als vakmanschap, heeft het idee van het genie te maken met status. Kunstenaars in Nederland hebben nauwelijks enige status en Marlene Dumas is een interessante uitzondering. Misschien stak ze dus wat te hoog boven het maaiveld uit.

Ik hoop dat het schilderij “Dead girl” deel uitmaakt van de expositie, aangezien dat werk mij zo op het eerste gezicht aanspreekt. Het lijkt sterk verwant aan het werk van Richter. Als je schilderijen in het echt ziet, kunnen ze echter plotseling veel indrukwekkender of juist vlakker zijn. Ik zal ze met een open blik proberen te bekijken. Na mijn bezoek aan het Stedelijk zal ik deel twee posten, dus vergeet mijn blog niet dagelijks te checken!

donderdag 25 september 2014

The sketchbook project

In New York kun je een gebouw binnenlopen dat er van de buitenkant uitziet als een winkel, om eenmaal binnen je af te vragen of het een bibliotheek, een antiquariaat, of een galerie is. Mijn eerste kennismaking met The Sketchbook Project verliep op deze manier. Sandrien en ik staarden langs oneindige rijen vreemde kaften, zonder dat we een boek uit de kast durfden te halen. “Zijn jullie hier voor het eerst?” We kregen een korte uitleg van het systeem. Kunstenaars kunnen hier een schetsboek kopen en deze eenmaal gevuld terugbrengen. Dan komt hij in de kast, tussen de dertigduizend andere schetsboeken. Bezoekers van het project krijgen een lenerpas waarmee ze in de computer een schetsboek kunnen opzoeken (op naam, thema, discipline etc.) en krijgen vervolgens een schetsboek dat voldoet aan hun zoekopdracht en een willekeurige om in te kijken.
Het project zat dus het dichtst bij een bibliotheek, behalve dat elk exemplaar hier aanwezig volstrekt uniek was. Wij leenden een aantal schetsboeken om in te kijken, die op zeer verschillende wijze gevuld waren. Ik geloof dat de willekeurige schetsboeken de meeste indruk maakten.
Ik heb in mijn leven rond de dertig schetsboeken gevuld en deze boekjes worden zelden door iemand anders dan mijzelf ingekeken. Als je nadenkt over hoeveel kunstenaars er zijn en je voorstelt hoeveel geweldige schetsboeken op boekenplanken stof staan te vergaren…
Ik was bijzonder enthousiast en heb meteen een schetsboek aangeschaft. Inmiddels is er wat tijd overheen gegaan, tijd waarin ik schetsboeken heb gevuld, maar waarin dat ene schetsboek uit New York nog leeg is gebleven.
De manier waarop ik met schetsboeken omga heeft hier misschien mee te maken. Het liefst loop ik eerst een aantal dagen door de stromende regen met mijn schetsboek boven mijn hoofd, voor ik de eerste bladzijden vul. Wanneer het boek vies en krom is, is alle spanning over het lege papier verdwenen en schets ik er op los, zonder me druk te maken over het resultaat van mijn inspanningen.

Dat ene schetsboek uit New York is nog leeg, maar de afgelopen dagen draag ik het bij me waar ik maar ga. Het begint al een beetje krom te trekken en hier en daar zit al een vlekje. Niet lang meer en ik kan de eerste schets maken.

vrijdag 12 september 2014

Collages


Ik maak al enige tijd collages, zo af en toe, wanneer ik een krantenabonnement heb, of tijdschriften krijg. De collages hieronder heb ik gemaakt tijdens mijn studietijd aan de Klassieke Academie:




Het maken van deze collages was vooral een experiment. In de ene collage knipte ik de stukken netjes uit, in de volgende scheurde ik ze, en in de daaropvolgende combineerde ik scheuren en knippen. In drie van deze collages gebruikte ik plakband in plaats van lijm. Soms voegde ik woorden toe, een andere keer koos ik voor een Monty Python-achtig beeld. Ik onderzocht de mogelijkheden van het medium. Met schilderen combineren beviel me niet. Wanneer ik voor de collage koos, was dit juist omdat ik het prettig vind dat de techniek mij beperkt.

De collage heeft voor mij het experimentele karakter behouden. Bijna elke collage is vanuit een nieuw idee over de vorm ontstaan, bijvoorbeeld: de lucht in de foto te gebruiken voor de grond in de collage en andersom, of het combineren van verschillende patronen. Daarnaast zijn de collages meer dan mijn schilderijen een product van mijn fantasie.
Toch zijn er ook een aantal kenmerken:
1. een licht-donkerverdeling en een aantal diagonalen, of ovalen bepalen de compositie.
2. handen spelen een hoofdrol, in tegenstelling tot gezichten. Aan de ene kant komt dat omdat ik geen herkenbare gezichten wil gebruiken, maar ook omdat gezichten teveel een aandachtspunt worden. Handen trekken minder aandacht, maar hebben veel expressie.
3. een pistool geeft de collage een zware lading, maar geeft ook een belangrijkste kijkrichting aan.
4. de fragmenten die mij naar de schaar doen grijpen, bevinden zich in de vervaagde achtergrond van foto's. Ik vind dit vaak het mooiste gedeelte. Onder andere omdat de druktechniek in de achtergronden meestal goed zichtbaar is. Een bijkomend voordeel is dat er weinig gebeurt in de achtergrond, al gebeurt er vaak nog teveel. Ik gebruik zo min mogelijk opvulling, zoveel mogelijk van deze achtergrondgebeurtenissen.
5. de collages zijn nogal duister, met misschien licht cynische humor. Ik denk dat ze mijn wereldbeeld redelijk weten te vangen. Een vriend van me zei tegen me: "Je moet niet doen alsof je geëngageerd bent in je werk." Maar het is geen keuze. Waar ik de schoonheid in de wereld zoek voor mijn schilderijen, kan ik bij het maken van collages mijn ogen niet sluiten voor de ellende in de kranten.  En in muziektijdschriften.




En ten slotte nog een vrolijke collage, gemaakt samen met Sandrien voor de verjaardag van een vriendin:











donderdag 11 september 2014

Anamorfoses en de zoektocht naar een kegelvormige spiegel




De tekeningen hieronder zijn studies voor anamorfoses, perspectivisch vertekende afbeeldingen. Kijk eens goed naar de schaakstukken op de derde tekening. Hoe kan het dat je de witte stukken van boven ziet en de zwarte stukken van voren? Deze tekening is in een hoek gefotografeerd. Vanboven ziet hij er zo uit als het middelste plaatje. Voor de schedels geldt hetzelfde. De twee foto's zijn van een en dezelfde tekening. De eerste is van de bovenkant gefotografeerd, de tweede in een hoek.

In november ga ik een dag les geven in optische illusies aan het WLG, mijn oude school, in het kader van een projectweek. De leerlingen krijgen de opdracht zelf een anamorfose te fabriceren, een leuke manier om het lineair perspectief te leren begrijpen.

Het is gemakkelijker dan je misschien denkt: met behulp van een raster kun je het perspectief eenvoudig manipuleren. Voor sommige vormen/patronen is wellicht wat inzicht nodig: een perfecte cirkel (oké, nog niet helemaal perfect) bijvoorbeeld is in het perspectief een ovaal.

Voor de onderste twee afbeeldingen, de zogenaamde cirkelanamorfose, heb ik een kegelvormige spiegel nodig. Een gepolijste vaas, prullenbak, of pennenbak voldoet. Wie kan mij aan een kegelvormige spiegel helpen???













zaterdag 4 januari 2014

Wat is kunst?

Na mijn avontuur in New York, kreeg ik uiteraard de vraag of ik er nu ook daadwerkelijk wat heb opgestoken... Ik doe een serieuze poging om die vraag te beantwoorden, maar ik kom niet dichtbij een bevredigend antwoord. Ja, ik heb veel geleerd! Maar wat dan precies? En hoe zie je dat dan in de schilderijen terug? En waarvan heb je dat geleerd?
Met enige moeite kan ik ook op deze vragen wel een antwoord bedenken. Toch denk ik dat er achter deze vragen andere vragen schuilgaan, die ik onbeantwoord laat. Vragen als 'Wat is kunst?' en iets specifieker 'Hoe kun je kunst leren, als smaak subjectief is?' Van die vragen die je diep onder de lakens van je bed doen kruipen.

Na de twee kerstdagen vol ledigheid en gulzigheid, is het echter tijd voor wat geestelijke inspanning. Bovendien heb ik van mijn opa en oma het essay Wat is kunst? van Lev Tolstoj gekregen, dus ik hoef niet in het luchtledige te denken.
Terwijl Sandrien naast me De avonden aan het lezen is en terwijl er om de zoveel tijd een stoomtrein door de achtertuin rijdt, die een grote stoomwolk achterlaat, zit ik over grote filosofische vragen te peinzen. Ik zeg tegen Sandrien: "Arnon Grunberg schrijft dat 'Tolstojs boutades af en toe doen denken aan Gerard Reve, die ook graag het volk verheerlijkte en de valsheid van de elite verachtte.'" Sandrien mompelt iets en leest door.

Tolstojs essay doet me sterk denken aan de film La grande bellezza (The great beauty) die we laatst op aanraden van Michiel, die hem nog niet gezien heeft, hebben gekeken. De hoofdgedachte van het essay lijkt ook de boodschap van de film: Kunst gaat niet om de zoektocht naar schoonheid.
Volgens Tolstoj verstaan we onder schoonheid ofwel een onbereikbaar ideaal, dat wordt gelijkgesteld aan een abstract idee (god, de wil, de harmonie der sferen etc.), ofwel niet meer dan genot. De hoofdpersoon Jep Gambardella van La grande Bellezza lijkt met de tweede gedachte te sympathiseren: zijn leven bestaat uit feestjes en mooie vrouwen. Gedurende de film komen we er echter achter dat hij een teleurgestelde kunstenaar is, die ooit een boek heeft geschreven, maar die de rest van zijn leven op zoek is geweest naar "de grote schoonheid", maar deze nooit heeft gevonden.

Lev en Jep maken beiden deel uit van de culturele elite. Tegelijk bekritiseren ze deze elite. Tolstoj beschrijft de aristocratie als een groep lege mensen, met lege gevoelens. Ze kennen slechts drie gevoelens: hoogmoed, geslachtsdrift en algehele lusteloosheid. Ondertussen leven ze in de illusie dat hun leven interessanter is dan dat van het gewone volk.
Als we Gambardella volgen terwijl hij van het ene feest naar het andere gaat, krijgen we wel het idee dat het leven van de culturele elite van Rome erg leeg is.
Hij zit met een aantal vrienden in een kring en een vriendin zit op te scheppen over hoe succesvol ze is en over hoeveel ze aan de wereld heeft bijgedragen. Gambardella zegt: "Ik wil dit niet doen, maar je vraagt er nu om." Hij laat in een lange monoloog geen spaan heel van de arme vrouw en hij laat zien hoe haar hele leven, als kunstenaar, als echtgenote, als moeder, een grote leugen is. "We zijn allemaal mislukt, dus laten we elkaars tijd niet verspillen met opscheppen over onze bijdrage aan de maatschappij, maar laten we liever elkaar het leven wat aangenamer proberen te maken." Zo eindigt hij.

Tolstoj bekritiseert ook de kunst van de elite, vanaf de Renaissance. Miljoenen mensen verrichten zware arbeid om kunst te produceren, waar zij vervolgens niet van kunnen genieten, omdat zij slechts voor een heel klein groepje mensen bedoeld is. Gewone mensen kunnen hier niet van genieten, omdat de kunst totaal onbegrijpelijk is. De kunst is onbegrijpelijk, omdat het een machtsmiddel is van de elite en omdat het een product is van een oppervlakkig gevoelsleven, waardoor de kunst zichzelf is gaan kopiëren en dit probeert te verhullen met techniek.
Gambardella is zoals gezegd een teleurgestelde kunstenaar en zoals het stereotype teleurgestelde kunstenaar, heeft hij een baan als kunstcriticus. Hij bezoekt verschillende performances.
Het eerste kunstwerk bestaat uit een naakte vrouw met een hoofddoek en met rood geverfd schaamhaar met daarin de hamer en sikkel geschoren, die keihard naar een muur rent en daar met haar hoofd tegenaan knalt. Gambardella interviewt na de tentoonstelling de kunstenares. "Waar komen je ideeën voor dit kunstwerk vandaan?" Vraagt hij. Al snel heeft hij door dat ze hier geen antwoord op heeft.
Het tweede kunstwerk wordt gemaakt door een kind van tien. Ze wordt gedwongen om te schilderen, ook al wil ze zelf liever spelen. Als ze huilend aan het werk is, zegt de volkse dame die Gambardella heeft opgepikt in een striptent: "Dat kind is aan het huilen. Wat is dit voor iets verschrikkelijks." Gambardella kijkt haar in eerste instantie verbaasd aan, maar dan lopen ze weg.
Op het laatste kunstwerk uit de film, kom ik later terug.

Goede kunst slaagt er volgens Tolstoj in om te ontroeren. "Voor wie werkelijk geraakt word door een kunstwerk, is het alsof hij zelf de schepper ervan is: het komt hem voor dat hij alles wat erin wordt uitgedrukt zelf al heel lang precies net zo had willen uitdrukken." De ontroering heeft drie voorwaarden: de vertolkte emotie moet specifiek zijn, de inhoud van de emotie moet zo duidelijk mogelijk worden weergegeven en de kunstenaar moet oprecht zijn. Hiermee onderscheidt kunst zich van kitsch. De boer zou volgens Tolstoj precies aanvoelen wanneer iets goede kunst is en hiermee overschat hij volgens mij de gewone mens, maar dat terzijde.
Gambardella ontmoet bijna aan het einde van de film een kunstenaar die hem vraagt naar diens kunstwerk te kijken. Het kunstwerk bestaat uit duizenden en duizenden fotootjes van de kunstenaar, die elke dag sinds zijn vroege jeugd een foto van zichzelf heeft gemaakt. Gambardella laat zijn oog over de fotootjes glijden en dan verschijnt in zijn ooghoek een traan. Na deze ervaring, besluit hij weer een boek te gaan schrijven.

Ik hoor plotseling Sandrien heel hard lachen. Ze hapt naar adem, terwijl ze dubbel slaat. Ik vraag haar wat er aan de hand is. "Frits, hij bidt voor zijn ouders." Ze is niet meer te houden.
Ik zit ondertussen na te denken over wat al deze gedachten nu eigenlijk voor betekenis hebben voor de vragen waarmee ik dit blog begon. Eigenlijk is een andere theorie van Tolstoj, die ik nog niet heb besproken, hiervoor meer verhelderend. De theorie wordt vertaald als de "ietsiepietsie-theorie". Ik vind het een mooie naam, maar vrees dat deze door de vertaler is bedacht, die het nodig vond, zo hoorde ik van mijn vader, om de grote Tolstoj hier en daar wat leesbaarder te maken.
De ietsiepietsie-theorie houdt in dat de kwaliteit van een goed kunstwerk zich zit in net dat beetje ietsiepietsie meer. Een goed kunstwerk kan honderd keer nageaapt worden, maar bij alle na-aapkunst zal net dat ietsiepietsie ontbreken.
Als ik mijn schilderijen na New York en voor New York met elkaar vergelijk dan zie ik grote verschillen in contrast, kleurgebruik. Ik denk dat mijn technische mogelijkheden vooruit zijn gegaan, maar of dat direct leidt tot betere schilderijen is nog maar de vraag.
Uiteindelijk zit de kwaliteit net in dat ietsiepietsie meer, dat in elk geval een van mijn New York-schilderijen lijkt te hebben.

Het is een vaag begrip, maar kunst is nu eenmaal geen wetenschap. Je kunt een film uitentreure analyseren, maar dat maakt de film nog niet tot een goede film. Ik ben er dan ook nog niet uit of La grande bellezza nou een goede film is, maar ik raad het wel iedereen aan om hem te kijken. En we mogen dan leven in een postmodern tijdperk waarin anything goes, maar deze film geeft volgens mij wel aan, waarom het ook relevant is om Tolstoj te lezen.